Abbot tabad, 11 september2010

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit de nieuwe roman van Leon de Winter, Geronimo.

Usama bin Laden leefde vijf jaar lang achter de muren van zijn schuilhuis, zo luidt het officiële verhaal. Dat is niet correct. Geregeld is hij ’s nachts naar buiten gegaan.

Ook in de vroege ochtend van 11 september 2010 – acht maanden vóór Operation Neptune Spear – was hij uit zijn huis geglipt en had hij de brommer uit de opslagplaats gereden. Zoals anders ging hij op weg naar een kruidenierswinkel die zijn deuren nooit sloot.

In Abbottabad, Pakistan, was het kwart over twee ’s nachts, en UBL – de afkorting die Amerikanen voor hem gebruikten en die zijn jongste bruid, Amal, hem soms ook uitdagend in zijn oor fluisterde: ‘UBL, mijn sjeik, kom je?’ – was een gelukkig mens.

Hij besefte dat hij nu geen overhaaste stappen moest zetten. Hij moest zich niet laten meeslepen door de heerlijke gedachte dat hij morgen al kon bereiken waaraan hij dertig jaar had gewerkt; langer dan dat, eigenlijk zijn hele leven, sinds hij het daglicht had gezien. Het tij zou keren. Geduld, dacht hij, geduld. Het zou onverstandig zijn, na jaren van isolement en tegenslagen, halsoverkop zijn nieuwe kennis uit te spelen. Met wat hij nu wist, was hij bij machte zijn tegenstanders te verlammen.

Zijn geloof en nederigheid waren door Allah beloond. Hem was een wapen geschonken waartegen niemand zich kon beschermen. UBL wilde zijn vreugde uitschreeuwen en de stille straten en slapende huizen toeroepen: ik weet het, ik weet het, ik heb het ontdekt, ik weet nu wat niemand anders weet! Rijdend op zijn rammelende brommertje glimlachte hij terwijl hij dacht: het is waar, UBL gaat de wereld opnieuw naar zijn hand zetten!

Hoe vermomde hij zich als hij ’s nachts naar buiten ging? Als volgt, zo heb ik uit de beschrijvingen begrepen: op UBL’s hoofd lag een ouderwetse helm in de vorm van een halve leren bal, met flappen die zijn oren bedekten. Op zijn neus drukte een bril met bifocale glazen die de aanblik van zijn ogen vervormden, en rond zijn hals en onderkaak had hij een sjaal gewikkeld die zijn gezicht voor een groot deel verborgen hield. ’s Winters droeg hij een halflange groene legerjas van het soort dat in grote delen van Azië mannen warm houdt. Dergelijke jassen worden overal voor weinig geld te koop aangeboden, zware jassen van dik katoen waarin een extra voering van schapenvacht kan worden vastgeknoopt (de vacht was nog niet nodig, ook al werden de nachten in deze bergstad weer koeler).

Verder droeg UBL een wijde, beige broek die bij de enkels strak sloot, een zogenaamde shalwar, een model waarin hij zich ook eerder in Afghanistan jarenlang had gekleed, en zijn voeten had hij in open, versleten sandalen gestoken.

Aan zijn lengte kon hij niets veranderen of verhullen. Hij was lang, veel langer dan de meeste Pakistanen, maar op de brommer viel zijn lengte niet op. Als hij afstapte, steunde hij op een wandelstok en bewoog hij met trage tred en gebogen rug, alsof hij twintig jaar ouder was. Hij deed zich voor als zomaar een man die ’s nachts op een uit gebruikte onderdelen samengestelde brommer op weg was naar een nachtwinkel die de naam The Abbottabad Nite Shop droeg.

Achter op de brommer vervoerde hij een kleine koelbox waarin hij de ijsjes koud kon houden die hij zijn jongste vrouw had beloofd. Ze kende hem beter dan wie ook, beter nog dan zijn oudste vrouw. Als een wild dier was ze, met een klein maar lenig lichaam en een intuïtie die hem soms versteld deed staan. Hij had de plicht zijn vrouwen te bezoeken, maar de jongste, een vrouw met gulzige ogen en dijen vol vuur, wist altijd, ook als hij zweeg, wat zijn stemming was. Ook overdag kon ze hem tot opwinding brengen wanneer hij onder zorgen gebukt ging. Gezien zijn leeftijd kon hij de vrouw die hij die avond diende te bezoeken niet beminnen als hij niet een blauwe pil slikte – maar daarover morden de vrouwen niet.

In Abbottabad leefde hij met drie vrouwen. De oudste was Khairiah Saber, een kinderpsychologe en de moeder van één kind. Siham Sabar was lerares Arabisch en had hem vier kinderen gegeven, onder wie Khaled, die gelukkig ook bij hem in huis woonde. En dan Amal Ahmed al-Sadah, Usama’s jongste. Zij trouwde met hem toen zij zeventien was, hij was al drieënveertig. Enkele dagen na 9/11 baarde zij een dochter die genoemd werd naar een joodse spionne in dienst van de profeet Mohammed.

Ja, hun leider, hun roerganger, hun sjeik was hij, maar hij respecteerde hen. Met de macht over zijn vrouwen ging hij niet lichtzinnig om. Nimmer sloeg hij ze, ook al liet zijn geloof dat toe zolang er geen bloed vloeide – een blik of een dreigende wijsvinger was genoeg om zijn vrouwen tot zwijgen te brengen, voor zover dat nodig was. Hij beschermde zijn vrouwen tegen de wanhoop en frustratie die hij zo vaak onderging, en andersom verlichtten zij zijn zorgen. Het idee van verraad was hun vreemd – zonder hem waren ze verloren, verklaarden ze keer op keer, elke dag waren ze in gebed om Allah te smeken hem te beschermen. En hij smeekte Allah om zijn vrouwen te beschermen.

Zijn bondgenoot en koerier Al-Kuweiti was bij het vallen van de avond teruggekeerd uit Islamabad. Het was de dag van het Suikerfeest, ’s ochtends hadden ze het vasten gebroken. Al-Kuweiti had twee weken gereisd. Hij bracht de berichten rond die UBL met zijn getrouwen deelde – UBL was nog volop betrokken bij de organisatie en stond met vele groepen in contact – en hij zorgde ervoor dat de berichten die UBL in zijn benauwde werkkamer samenstelde bij Al Jazeera of CNN terechtkwamen.

Abu Ahmed al-Kuweiti, zijn dierbare vriend, was van nationaliteit Pakistaan en van etniciteit Pasjtoen, maar hij was in Koeweit geboren. Hij sprak vloeiend Arabisch en Pasjtoe en Urdu. In een andere periode van de geschiedenis zou Al-Kuweiti, ooit opgeleid door een van de creatieve geesten met wie UBL de aanslagen van 9/11 had ontworpen, minister of topmanager zijn geweest. Maar het was oorlog, en Al-Kuweiti was een gedreven strijder.

UBL had de hele dag op zijn komst gewacht, en toen hij de poort hoorde opengaan zette hij een grote hoed op en wachtte hij buiten onder de boom tot Al-Kuweiti uit zijn witte SUV was gestapt.

‘Sjeik, ik denk dat het gelukt is,’ had Al-Kuweiti gezegd. Hij had zijn vuist geopend en op de open palm, alsof het een kostbaar juweel was, een usb-stick onthuld. UBL had gevraagd: ‘Hebben we wat we zochten?’

‘Alles. Uw macht kent geen grenzen nu.’

In zijn kamer op de tweede verdieping, een ruimte van zes vierkante meter met tv-toestellen, enkele computers en stalen archiefkasten waarin hij cd’s, dvd’s, boeken, kaarten bewaarde, liet hij, nadat hij voor de zekerheid de internetkabel had losgekoppeld, de stick tot leven komen.

Zeven foto’s. Een Word-document, niet-versleuteld, met aanvullende gegevens. En een video. Hij bekeek alles en trok daarna de stick uit de computer. Hij liet zich op zijn gebedskleed op zijn knieën zakken en dankte Allah terwijl de tranen over zijn wangen liepen.