‘Nu ik dit geschreven heb kan ik doodgaan’

Ook in haar nieuwe boek Gevallen God, over een gevechtspiloot, speelt de Britse schrijfster een spel met de tijd. Ze vindt het haar beste boek. Daarom „voel ik me vrijer. Ik kan nu gewoon van alles schrijven.”

Kate Atkinson: ‘Het is zo verdrietig om een oude man te zijn’ Foto Colin McPherson/Corbis
Kate Atkinson: ‘Het is zo verdrietig om een oude man te zijn’ Foto Colin McPherson/Corbis

Eigenlijk wil Kate Atkinson liever niet over haar nieuwe roman A God in Ruins (Gevallen God) praten. Of nadenken. Ze zit met een volgend boek in haar hoofd. Het moet gaan over MI5, de Britse geheime dienst, vertelt ze als we al een tijdje zitten te praten in de chique thee- en champagnebar van het Balmoral Hotel in Edinburgh. Dus het is een spionageroman, zeg ik – en het is alsof ik een hek heb opengezet en haar heb losgelaten.

Ze vertelt en vertelt, over één Britse spion die haar speciale belangstelling heeft, over de gesprekken die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog met informanten voerde („veel gewone Britse huisvrouwen, rabiaat antisemitisch, ongelooflijk”), over de opnames van die gesprekken. „Ik zou graag veel echte transcripten gebruiken”, zegt ze. „Ik heb een contact bij MI5.”

Ik kan er niks aan doen, daar moet ik om lachen: ‘Ik heb een contact bij MI5’, dat heeft nog nooit iemand in een hotelbar tegen me gezegd, zeg ik per ongeluk hardop. Dan moet zij ook heel erg lachen. Ze moet trouwens sowieso vaak lachen. Atkinson is een heel geestige, opgewekte vrouw van 63, die niet van interviews houdt. Althans, ze haat het dat kranteninterviews meestal over háár gaan, in plaats van over haar boeken.

„Een van mijn eerste interviews ooit”, vertelt ze, „was in een hotel, want waar moet je elkaar anders ontmoeten, en ik schonk de thee in. Toen begon het artikel ermee hoe hautain ik was bij het inschenken van de thee: ‘ze keek langs haar verfijnde neus...’ Sindsdien vind ik kranteninterviews onprettig. Ze gaan over je kleren, je stem, je haar... Dit is mijn enige interview met de geschreven pers over dit boek”, zegt ze opgewekt, „in de hele wereld.” Ze lacht (en ik schrap in gedachten haar donkerroze vestje, haar opgestoken haar, de harpist die live jazzklassiekers speelt en de high tea die we met geen mogelijkheid opkrijgen).

Goed, over Gevallen God dus, haar nieuwe boek. Een ‘partnerboek’ bij Life After Life. Die roman volgde Ursula Todd, die keer op keer op 11 februari 1910 wordt geboren – ze sterft steeds opnieuw en krijgt steeds een nieuwe kans. „Zo bouwt Ursula lagen van bewustzijn op”, zegt Atkinson. „Ze weet méér zonder dat ze wéét dat ze meer weet.” En daarmee groeit Ursula’s plan om Hitler te vermoorden.

Gevallen God beschrijft één van Ursula’s levens, met als hoofdpersoon haar lievelingsbroer Teddy, die in de Tweede Wereldoorlog als gevechtspiloot Duitsland bombardeert. Daarna wordt hij stokoud, wat niemand had verwacht. Ook dit boek speelt een spel met de tijd: het springt wild heen en weer door de jaren, wat het gevoel geeft dat alles op hetzelfde moment gebeurt, dat tijd een illusie is. Terloops merkt Atkinson op dat ze Gevallen God haar beste boek vindt. „En ik denk dat het mijn beste boek zal blijven.”

Wacht, denkt u bij elk nieuw boek dat het uw beste boek is?

„Eh, nee… Wat denk ik eigenlijk? Ik dacht het bij Life After Life wel. Ik denk dat mijn waardering voor mijn eigen boeken ervan afhangt hoe emotioneel betrokken ik erbij ben. Bij Life After Life voelde ik me zeer betrokken. Toen ik dat af had, dacht ik: dat is het, dit is mijn beste boek, ooit! Maar ik was altijd naar Gevallen God toe aan het werken. Nu ik dat geschreven heb...” – ze moet weer erg lachen – „...kan ik doodgaan. En omdat ik mijn beste boek al heb geschreven ben ik ook vrijer, ja. Ik kan nu gewoon van alles schrijven. En ik heb dus nóg een oorlogsboek in me, het boek waar ik de hele tijd aan denk.”

Waarom de oorlog?

„Ik wilde altijd al over de oorlog schrijven. Er zit een stuk over de oorlog in mijn eerste roman en toen dacht ik al: dit moet ik een keer goed doen. Het is de interessantste periode in de Britse geschiedenis die het dichtstbij is. Het is nog levende geschiedenis.”

Teddy’s dochter Viola vraagt zich af of ze een roman over haar vaders ervaringen moet schrijven, ‘omdat mensen oorlogsromans altijd serieus nemen’.

„Haha, ja. Mensen nemen misdaadromans niet serieus.Ik heb die boeken over detective Jackson Brodie (zie kader, red.) nooit als misdaadromans beschouwd. Uiteindelijk wél, omdat iedereen me vertelde dat het misdaadromans waren. Maar het probleem is: zodra je een detective in een boek stopt, is het een detectiveboek.”

Uw boeken zitten vol met ironische opmerkingen als die van Viola.

„Ja, dat is allemaal monologue interieur vanuit het perspectief van de personages. Mensen denken nu eenmaal de hele tijd willekeurige gedachten.”

Maar uzelf lijkt door elk personage te schemeren. Ze maken allemáál in gedachten dat soort ironische opmerkingen.

„Ja, als je niet zelf in de roman zit, dan wordt het volgens mij genrefictie. Ik kruip graag in het hoofd van de personages, maar je laat jezelf niet achter, je bent het medium waardoor ze zich uitdrukken. Je kunt het merken als een schrijver niet in zijn boek zit. Dan wordt het heel vlak.”

Teddy’s leven is in feite opgebouwd, vertelt ze, uit de perspectieven van verschillende personages, op verschillende momenten in zijn leven. „Toen ik eraan begon kende ik Teddy alleen als jongetje. Ik kon me hem niet als man voorstellen. Ik kon niet in zijn hoofd komen, behalve in de hoofdstukken over de oorlog. En ik denk dat hij dan op zijn best is, als oorlogsheld. De Teddy erna is... niet echt Teddy meer. Hij heeft zichzelf in feite in de oorlog achtergelaten.

„Ik heb vroeger wel met oude mensen gewerkt, als thuishulp, vooral met vrouwen, maar ook met een paar oude mannetjes – en naar hen ging mijn hart uit. Het is zo verdrietig om een oude man te zijn. Veel erger dan om een oude vrouw te zijn. Je kunt zien dat ze niemand hebben, ze zijn afgedankt door de maatschappij.”

Dat geldt ook voor Teddy. U gaf hem in dit boek de kans om de oorlog te overleven, maar waarom gaf u hem zo’n verschrikkelijk leven?

Lachend: „Het was geen verschrikkelijk leven! Hij hield van zijn vrouw, van zijn kleinkinderen...”

Maar zijn vrouw overlijdt heel jong en zijn dochter Viola is een van die vreselijke vrouwen waar u zo goed in bent.

„Er zitten inderdaad veel chagrijnige vrouwen van middelbare leeftijd in mijn boeken. Maar ik houd van mijn vreselijke vrouwen! Ik begrijp ze. Veel van hen zijn van mijn moeders generatie. Die generatie was zo... gebonden door de conventies van de tijd. Ik denk dat die vrouwen vaak heel bitter waren als ze naar hun dochters keken: die konden werken, scheiden, kinderen krijgen zonder vader. Al die vrijheden die de generatie van mijn moeder niet had. Terwijl ze in de oorlog wel een glimp hadden opgevangen van een ander soort leven, met veel dansen en feesten, én werk!”

Werk: bijvoorbeeld het uittypen van de opnamen van die spionagegesprekken. Waar záten die meisjes, vraagt Atkinson zich af, wat voor telefoons gebruikten ze, wat voor levens leidden ze? Zo zijn we weer bij haar volgende boek, het boek dat nu in haar hoofd zit.

Want dit is de ironie, zegt ze. „Als je een boek publiceert, ben je altijd in gedachten al met een volgend boek bezig. Je hebt alleen belangstelling voor een boek terwijl je eraan werkt. Zodra het af is, wordt het iets anders, een object. Het gekke is: tijdens het schrijven wil je heel graag dat een boek af is. Maar als het zover is, realiseer je je: dat was het. Dat was alles. Nu is het... weg.”

Nu is Gevallen God van ons.