Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Een bejaardenhuis ja, maar ook een studentenhuis

Studenten hebben moeite een betaalbare kamer te vinden, verzorgingstehuizen hebben ruimte over. De oplossing ligt voor de hand.

De vijf 'woonstudenten’ van Humanitas zijn verdeeld over verschillende gangen. Ze gaan langs bij hun buren als die ziek zijn, spelen spelletjes met ze, kopen bingoprijzen en doen kleine klusjes. Eén keer per week verzorgen ze om vijf uur ’s middags de broodmaaltijd. Foto’s boudewijn Bollmann
De vijf 'woonstudenten’ van Humanitas zijn verdeeld over verschillende gangen. Ze gaan langs bij hun buren als die ziek zijn, spelen spelletjes met ze, kopen bingoprijzen en doen kleine klusjes. Eén keer per week verzorgen ze om vijf uur ’s middags de broodmaaltijd. Foto’s boudewijn Bollmann

Het lijkt een alledaagse studentenkamer, die van tweedejaars stedenbouwkunde Jurriën Mentink (21). Op zijn bureau een laptop en collegeblokken, in de kast een televisie, studieboeken, games en een verzameling lege speciaalbierflesjes.

Maar op zijn zwarte fauteuil zit een zorgrobot. En zijn buren hebben kamers op dezelfde gang omdat ze niet meer thuis kunnen wonen.

Toen Jurriën Mentink, die moeite had een kamer te vinden, hoorde dat Humanitas ‘woonstudenten’ in huis wilde opnemen, schreef hij meteen een brief. „Mijn grootouders hebben van alles gehad. Als kind ging ik al mee van ziekenhuis naar verpleeghuis en weer terug. Toen ik hier binnenkwam, dacht ik: dit ken ik.”

Nu is hij één van de vijf studenten in het woonzorgcentrum, die in ruil voor dertig uur vrijwilligerswerk per maand geen huur hoeven te betalen. De studenten zijn verdeeld over verschillende gangen, gaan langs bij hun buren als die ziek zijn, spelen spelletjes met ze, kopen bingoprijzen en doen kleine klusjes. Eén keer per week verzorgen ze om vijf uur ’s middags de broodmaaltijd in de gemeenschappelijke ruimte. Jurriën Mentink begon kortgeleden met een kennismaking tussen de 160 bewoners en de zorgrobot, Zora. Hij liet zien hoe die via een tablet kan praten en bewegen.

De leefbaarheid vergroten

Waar komt dit idee vandaan? Gea Sijpkes, directeur-bestuurder, vertelt dat drie jaar geleden besloten werd het woonzorgcentrum „anders te profileren”. Er kwamen strengere wettelijke regels aan, waaraan aanstaande bewoners moesten voldoen. Wie minder complexe zorgvragen had, kon hier niet zomaar meer komen wonen.

Dit centrum, zegt ze, „heeft geen zorgspecialisatie. We zouden doorgaan met gewone ouderenzorg. Om ons toch te onderscheiden wilde ik de leefbaarheid en de warmte in het huis vergroten.” Er was echter geen budget om daar speciaal iemand voor aan te nemen. Ook vond ze dat voor die leefbaarheid meer gemeenschapszin nodig was. „Dus was een nieuw soort woonvorm een logische stap.”

In dezelfde periode werd het sociaal leenstelsel ingevoerd: de basisbeurs – op dit moment 279 euro voor uitwonenden en 100 euro voor thuiswonenden – verdwijnt, studenten moeten dat bedrag straks gaan lenen. Gea Sijpkes: „Door hier gratis te wonen, hoeven studenten hun schuld niet nog meer op te laten lopen.”

En hoe kom je dan op een bepaald aantal uren vrijwilligerswerk per maand? Dat ging zo, vertelt ze: een studentenkamer in Deventer kost zo’n 300 euro per maand en studenten verdienen met een bijbaantje ongeveer tien euro per uur. Met die twee getallen in haar hoofd - „het is een schatting” - kwam ze op dertig uur vrijwilligerswerk per maand uit.

Overigens is niet elke student geschikt om in een verzorgingstehuis te wonen. Gea Sijpkes kijkt steeds hoe mogelijke nieuwe woonstudenten met de ouderen omgaan, vertelt ze. „Als je iemand in een rolstoel tegenkomt, ga je dan door je knieën om op gelijke ooghoogte te komen? Groet je medewerkers op een leuke manier? En als iemand staat de stuntelen, schiet je die persoon dan even te hulp?”

Wat ze absoluut niet wil, zijn zorgstudenten. „Ik wil voorkomen dat onduidelijk wordt wie wat doet. Of dat er arbeidsmarktverdringing komt. Voor de zorg hebben we professionals, de studenten moeten een goede buur voor de bewoners zijn.”

Even een dolletje

Het is donderdagmiddag. Onno Selbach, student sociaal pedagogische hulpverlening verzorgt de broodmaaltijd. Er zijn tien vrouwen op afgekomen – „mannen hebben hier nauwelijks behoefte aan”. Op tafel staan potten pindakaas en pakken hagelslag, er zijn gebakken eieren.

Het is leuk dat de studenten er zijn, zegt mevrouw Middelburg (84). „Vroeger aten we nooit samen. Maar overdag zie je ze niet hoor, ze zijn veel te druk met hun studie”. Ze luistert graag naar wat hen bezighoudt. En een dolletje maken hoort er ook bij. Of hun vriendinnetje al is blijven slapen bijvoorbeeld, is een terugkerend onderwerp.

Want ja, vriendinnetjes die blijven slapen, vrienden die komen eten, films kijken en gamen: de vijf woonstudenten kunnen gewoon hun gang gaan. Gea Sijpkes: „Natuurlijk mag dat allemaal, het is toch ook hun huis? Zolang de bewoners er maar geen last van hebben is het goed.”

Jurriën Mentink herinnert zich zijn wedstrijdje rolstoelrijden met vrienden. „Mijn buurvrouw vroeg de volgende ochtend: jij hebt zeker heel hard gereden hè? Ze vond het alleen maar leuk. En laatst vroeg mijn buurman waar ik naartoe ging. ‘Naar Amsterdam’, zei ik. ‘Oh, en wanneer ben je terug?’ ‘Dat kan wel eens heel laat worden.’ Ik hoef me hier niet in te houden.”

Een groot deel van de bewoners ziet de studenten nauwelijks, vooral als ze niet eten in de gemeenschappelijke ruimte. Maar iedere student heeft wel een paar bewoners waar hij of zij (één van de vijf is een meisje) een band mee opbouwt. Onno Selbach, tijdens het afwassen: „Ik had me voorgenomen me niet emotioneel te binden, maar zo werkt het niet. Je krijgt sowieso een band. Het is ook altijd slikken als iemand overlijdt die je vaak zag.”

Dat doet iets met je, zegt Jurriën Mentink. „En er gaan er altijd drie achter elkaar, gek hè?” Twee jaar in Humanitas hebben hem veranderd, vindt hij. „Ik zie hier soms mensen die creperen van de pijn en onder de morfine zitten. Als ik me rot voel omdat een docent m’n opdracht heeft afgekraakt en eenmaal thuis de pijn zie van deze mensen, dan denk ik: waar maak je je druk over?”

Omdat hij dagelijks geconfronteerd wordt met mensen die over niet al te lange tijd zullen overlijden, staat hij ook vaker stil bij zijn eigen oude dag. „Hoe wil ik zelf zijn als ik oud ben? In ieder geval assertiever dan sommige mensen hier. Een buurman voelde zich laatst een keer buitengesloten en was daar boos om. Ik wist niet eens dat hij mee had willen doen met de activiteit. Dat soort dingen wil ik later gewoon zeggen.”

Binnenkort komt er een zesde woonstudent bij. Is zes op 160 ouderen niet weinig? Zou het niet goed zijn als de bewoners meer aandacht van de woonstudenten zouden krijgen? Gea Sijpkes: „Nee, zo is het precies goed. Het moet voor de ouderen een beschermde, veilige woonomgeving blijven. Trouwens, we hebben gelukkig ook geen leegstand.”