‘Opera is spektakel. Mooi zingen is voor cd’s’

Monty-Pythonlid en filmregisseur Terry Gilliam is bezig aan zijn tweede operaregie. Opnieuw Berlioz: ‘Benvenuto Cellini’, zaterdag bij De Nationale Opera. „Cellini is een onmogelijke man. Maar hij is een briljant artiest, dus vergeef je hem.”

Terry Gilliam
Terry Gilliam

Eigenlijk hield Terry Gilliam helemaal niet zo van opera. Het operapubliek stond hem tegen. Net als de prijzen van de kaartjes, de bourgeois mentaliteit. „Mijn voornaamste bezwaar was dat het in opera mogelijk is dat een vrouw van 50 met overgewicht een rol zingt van een zestienjarige maagd”, zegt het Monty Python-lid. „Ik heb een grote fantasie, maar die is niet groot genoeg om dat te overwinnen.”

Toch werd hij verleid om een opera te regisseren. In 2011 tekende hij voor La damnation de Faust van Hector Berlioz bij de English National Opera. De productie, die later in Gent en Antwerpen te zien was, werd met gejuich ontvangen.

Gilliam (74) transporteerde de Faustvertelling naar het Duitsland van Adolf Hitler. „Ik was doodsbang. Vlak voor de eerste uitvoering stond ik op het punt een vliegtuig te boeken, ik wilde weg uit Londen. Ik wist zeker dat de productie afgekraakt zou worden. Maar het werd een groot succes. Dat haat ik aan opera: die zenuwen.”

Nu kan ook Nederland kennismaken met de operaregisseur Gilliam. De man die verantwoordelijk was voor de animaties van Monty Python’s Flying Circus, die regisseur en schrijver was van films als The Holy Grail, Time Bandits, Brazil en cultklassiekers als Fear and Loathing in Las Vegas en IFFR-hit Tideland, komt wederom met een Berlioz-productie. Zaterdag gaat bij De Nationale Opera zijn Benvenuto Cellini in première.

Het verhaal gaat over de zestiende-eeuwse beeldhouwer Cellini, die aan een Perseus-beeld werkt in opdracht van paus Clemens VII. Fieramosca, Cellini’s rivaal, zit hem dwars. Gilliam: „Cellini is een onmogelijke man. Hij drinkt te veel, hij is dik, onaardig. En toch charmant. Hij neukt alles wat beweegt. Tegelijkertijd is hij een briljant artiest, dus vergeef je hem. Deze opera gaat over de marteling van het kunstenaarschap. Cellini is totaal gefocust op de pijn en de schoonheid van de creativiteit.”

Gilliam vertelt in de rondgang van het operagebouw aan het Amsterdamse Waterlooplein. Hij prikt zijn vork in een Griekse salade. Zijn haar is kort, alleen uit zijn nek komt een langere pluk haar. Om de drie zinnen klinkt zijn kenmerkende lach: iets tussen ‘hihi’ en ‘huhuh’.

Waarom weer Berlioz?

„Hij is de meest extreme componist. En ik hou van uitersten. Daarbij komt dat ik Cellini’s autobiografie gelezen heb en ik met het idee speelde om een film te maken over de historische figuur. Toen de English National Opera (waar de productie vorige zomer in première ging) mij vroeg om ook Benvenuto Cellini te doen, kon ik niet weigeren.”

Waarin herkennen we de hand van Terry Gilliam?

„Geen idee! Want ik weet niets van opera. Oké: ik heb humor, ik zorg dat er veel te zien is, ik zoek de grenzen op, net zoals Berlioz dat doet – that’s it. Ik wil dat mensen een avond hebben die spannend en onderhoudend, maar ook gevaarlijk is. Ik wil spektakel. Lange tijd was ik bang dat het visuele zou wedijveren met de muziek. Maar het mooie is: Berlioz wint altijd.

„Het geheim is mijn samenwerking met Leah Hausman (de choreograaf en co-regisseur). I am just the pretty face. Zij weet hoe alles werkt in opera. Ik verken de grenzen en zij maakt er dan iets gecontroleerds van. Als op de poster staat ‘Terry Gilliam regisseert Benvenuto Cellini’, is dat een leugen. Het helpt bij de kaartverkoop, maar in werkelijkheid zijn we een team.

„Bij de casting hebben we voor zangers gekozen die hun rol geloofwaardig kunnen vertolken, al had ik daar in Amsterdam minder invloed op dan in Londen. Misschien zijn er betere zangers, maar ik wil mensen die kunnen optreden. Als je een perfecte stem hebt, mooi! Daar hebben we cd’s voor.”

Gaat u er wel mee door?

„Waarschijnlijk wel. Deze productie gaat ook nog naar Rome, Barcelona, Parijs, Faust gaat nog naar Berlijn, dus ik zit hier nog wel even aan vast. Ik kan niet ontsnappen.”

Wat zou u nog meer willen doen?

„Ik wil alleen opera’s doen die niet succesvol zijn. Dan kunnen mijn versies niet worden vergeleken. Weet je: people have to introduce me to this stuff. Bij Massenet denk ik: nee. Gluck? Ook niet. Af en toe laat iemand me iets horen en denk ik: ah, that’s nice.

Waarin verschilt het regisseren van een opera met het maken van een film?

„De overeenkomst is: het is allebei een nachtmerrie. Ik heb er geen plezier in, ik ben blij als we klaar zijn. In een film heb ik meer controle. Bij een film kan ik monteren tot ik er gelukkig mee ben, maar bij een opera blijf je aan het werk. En ik ben niet gezegend met het talent om achterover te leunen, dus ik hou me overal mee bezig. Ik geef toch de voorkeur aan film: in alles wat ik doe zie ik mijn fouten. Als een film eenmaal verschenen is, kun je er niks meer aan doen. Dat is toch wat relaxter.”

Als u er geen plezier aan beleeft, waarom doet u het dan?

Because I’m mad! Ik heb geen keuze. Ik moet dingen maken, het is mijn natuur. Mijn vrouw vraagt me soms: waarom kunnen we niet eens gewoon op vakantie, naar het strand? Het lukt me gewoon niet. Ik ga me vervelen.”

U heeft vele succesvolle films gemaakt. Toch wordt dat werk overschaduwd door Monty Python. Hoe voelt dat?

„Het is niet erg. Ik heb ook films gemaakt die voor een heel klein publiek zijn. Bij elke film is er wel iemand die zegt: dat is het beste wat ik ooit gezien heb. Daar doe ik het voor. En die projecten voor een kleiner publiek kan ik maken dankzij de grote successen. Zo kon ik me ook ongeveer een jaar voorbereiden op Benvenuto Cellini. Veel regisseurs die fulltime in opera werken kunnen zich dat niet permitteren.”

De pers in Engeland was bijzonder enthousiast over de productie. Heeft uw verleden als Python-lid daar invloed op gehad?

„Er waren zeker mensen die op mij zaten te wachten. Maar ik had juist daarom ook weerstand verwacht. Ik denk dat we iedereen hebben verrast.”