‘Ik offerde ’n vogeltje voor mijn stem’

Op zijn 53ste breekt de Surinaamse reggaezanger Kenny B. door in Nederland. Daarvoor was hij onder meer onderhoudsmonteur, lopendebandmedewerker, bouwvakker en inpakker. Én vredestichter in Suriname.

Wel dreadlocks, geen rastafari: reggaezanger Kenny B. scoort hits in Nederland
Wel dreadlocks, geen rastafari: reggaezanger Kenny B. scoort hits in Nederland Foto Catharina Gerritsen

Kenny B. zet nog één keer in op Dansen aan zee van Bløf. Het klinkt revolutionair anders dan het origineel: de ruimte vult zich met reggae en de Zeeuwse kust maakt plaats voor een palmenstrand. De combinatie van een iets oudere Surinaamse zanger met overvloedige rastaharen die Nederlands zingt met een zachte g is niet minder verrassend.

Dan is het mooi geweest voor vandaag: „Stuur je me straks het kale ritme? Kan ik er nog lekker op losgaan vanavond.”

Sinds zijn eerste Nederlandstalige nummer Als je gaat van begin dit jaar is de Surinaamse artiest ‘hot’ in Hilversum en omstreken. Zijn single Parijs voert al een paar weken de hitlijsten aan. Momenten genoeg dat Kenny B. zich in zijn arm knijpt om zich ervan te verzekeren dat het allemaal echt waar is.

Zijn doorbraak heeft alles te maken met zijn overstap naar Nederlandstalige liedjes, een idee van Kees de Koning, zijn platenbaas bij Top Notch. Niet dat hij zijn Surinaamse hits nu in het Nederlands zingt: „In mijn tracks zing ik afwisselend in het Engels, Surinaams en Aukaans. Die teksten kun je niet één op één vertalen. Zelf aarzelde ik ook, moet ik bekennen. Reggae zingen in het Nederlands is volgens mij toch wat moeilijker. Maar goed, ik heb een paar nieuwe nummers geschreven en nu krijgt Kees nog gelijk ook.”

Treinenstellen oliën

In 1991, op zijn dertigste, kwam Kenneth Bron naar Nederland. Hij liet de Binnenlandoorlog in Suriname achter zich maar in zijn nieuwe woonplaats Tilburg wachtte hem een nieuwe strijd. Wat heeft hij niet gedaan om aan geld te komen? Hij stond aan de lopende band, zette Jardin-stoeltjes in elkaar, werkte in een aluminiumfabriek en was een tijdje taartenbakker. Dat wil zeggen, hij moest er kersjes op zetten en inpakken. Het werk in de Rotterdamse haven zal hij ook niet gauw vergeten: „Onderhoud van treinstellen. Vanaf een treinwagon lag ik op een soort surfplank met een spuit in m’n handen om de carrosserieën in de olie te zetten.”

Weer later zat hij in de bouw: dakgoten aan gevels bevestigen. Geestdodend werk. Vaak genoeg vroeg hij zich af waar het in vredesnaam goed voor was, al die jobs. Natuurlijk, hij had geld nodig. Maar dat was toch niet het enige waar het om draaide?

Tussendoor zag hij kans een ondernemersopleiding af te ronden. Het was de bedoeling om in Holland diploma’s te halen en daarna in Suriname de houthandel van zijn vader over te nemen. Het bleef bij een voornemen. Want hij begon zich steeds beter op zijn gemak te voelen in Tilburg. Niet in de laatste plaats door de muziek. Daar lag het eindpunt, had hij zichzelf altijd en onder alle omstandigheden voorgehouden. Hij zong in bandjes en trad op als voorprogramma van bekende artiesten. Elf jaar trok hij met een soundsystem het land door.

Zingen deed hij ook al in Suriname. Rond zijn achttiende had hij een eigen band: het Fransisco Combo. Een mooie tijd, hoewel een doorbraak uitbleef. Kenny B. zat er niet mee: hij wilde gewoon op een podium staan en muziek maken. Daarin koos hij zijn eigen weg, zo was hij dat nu eenmaal gewend. „Op mijn elfde gingen mijn ouders uit elkaar. Op die leeftijd heb ik geleerd mijn eigen potje te koken. We waren met zeven kids en verspreidden ons over het land. Ik ging mee met mijn moeder, naar Munder, een wijk in Paramaribo. Een lastige periode. In de stad was ik een marron uit Moengo en boslandcreolen werden destijds vaak met de nek aangekeken. Dat is nu gelukkig een stuk minder. Marrons hebben inmiddels een betere positie in de samenleving. Voetballen kon ik ook al niet: ik werd gegarandeerd als laatste gekozen.”

A bun (goed dan), hij wil best vertellen wat hij in de loop der jaren heeft meegemaakt. Dan kan hij meteen die overtrokken verhalen die over hem de ronde doen nuanceren. Dat hij Desi Bouterse en Ronnie Brunswijk bij elkaar heeft gebracht om een eind te maken aan de Binnenlandoorlog in Suriname bijvoorbeeld. Of dat hij zwaarbewapend door het bos trok en schoot op alles wat bewoog. „Eerlijk, ik heb nooit iemand iets aangedaan. Eén keer heb ik iemand geslagen. Dat was in het leger toen twee gasten elkaar aanvlogen en ik tussenbeide kwam om erger te voorkomen.”

In het leger van Bouterse

Begin jaren 80 zat hij in het Nationaal Leger van Suriname, in de militaire tijd onder legerleider Bouterse. Zowat elke jongen moest in dienst: trainen, het bos in, met wapens leren omgaan, het land verdedigen. Kenny had er geen bezwaar tegen: hij voelde zich verantwoordelijk voor zijn land. Daar kwam bij dat hij in de kazerne gewoon muziek kon blijven maken: als basgitarist in een reggaegroep.

Een soldaat is bereid te sterven voor het vaderland en leert een wapen te gebruiken, in het ergste geval om er een ander mee te doden. Maar wat moet een soldaat als hij tegenover jonge mannen uit zijn eigen land komt te staan? Dat was precies wat er gebeurde toen tijdens zijn diensttijd de Binnenlandoorlog uitbrak. Bewoners in het binnenland, in het oosten van Suriname, kwamen in opstand tegen de militaire regering. Zelf maakte Kenny B. nauwelijks gevechtssituaties mee. Al scheelde het weinig of hij was tijdens een verkenningstocht door zijn eigen mannen van het dak geknald.

Tijdens een verblijf in het ziekenhuis kwam hij in contact met Chas Mijnals, een kopstuk binnen het Militair Gezag. Mijnals was een van de mannen achter de ideologie van de militaire regering en werkte bij de voorlichtingsdienst. De politiek was sterk geënt op het anti-imperialisme en marxisme zoals dat op Cuba in praktijk werd gebracht. Op Kenny’s eigen verzoek werd hij toegevoegd aan Mijnals’ staf.

Of vanuit die positie de zinloosheid van de oorlog tot hem doordrong? Lastig te zeggen. Wel raakte hij ervan overtuigd dat het nergens op sloeg dat Surinaamse jongens elkaar naar het leven stonden. Daarbij, hij kende de tegenstanders van het Leger. Persoonlijk zelfs: „Ik kom uit Moengotapoe in Oost-Suriname, daar komt ook Brunswijk vandaan. Da’s een neefje van me.”

Brunswijks rebellenleger

Kort nadat hij was afgezwaaid kwam een andere neef die voor het Junglecommando vocht om tijdens een vuurgevecht. Daarop sloot Kenny B. zich aan bij Brunswijk. Maar eenmaal in de positie om zijn ex-collega’s onder vuur te nemen, besefte hij dat hij waarschijnlijk meer kon bereiken als hij de strijdende partijen om de tafel kreeg. Dat lukte. Al is hij zo ongeveer de laatste om het succes van de vredesonderhandelingen naar zich toe te trekken. Wat wel klopt is dat hij voor beide partijen een betrouwbare gesprekspartner was.

Bij vlagen trekt de geschiedenis aan hem voorbij. Ook dát hoofdstuk heeft hem gevormd. In een situatie terechtkomen, observeren en vervolgens handelen; niet uit eigen belang maar om ervoor te zorgen dat mensen elkaar beter begrijpen. En of hij nu als artiest nog iets kan bijdragen aan de samenleving? Kenny B. laat een stilte vallen. Grijnst: „Over de Surinaamse politiek heb ik geen mening. De toppers ken ik persoonlijk. Brunswijk kan ik zo aan de lijn krijgen, bij de president duurt het iets langer. Het zou mooi zijn als er binnenkort ruimte ontstaat voor een échte democratie. Op basis van kennis, kunde en ideeën en niet door etniciteit als uitgangspunt te nemen, zoals nu al veel te lang gebeurt.

„Misschien zou ik mensen kunnen beïnvloeden met mijn teksten. Ik zing het liefst over de eenheid van het volk. Mensen bij elkaar brengen met muziek. Het klinkt misschien soft, maar ik denk dat we ons nederig moeten opstellen. De mens is altijd geneigd zijn eigen soort te beschermen. Daar komen oorlogen uit voort, yu sabi toch? (dat weet je toch?). Maar je kunt ook de soort beschermen door liefde voor elkaar tot uitdrukking te brengen.”

Het offer van Abraham

Een rastafari is hij niet – die dreads zeggen ook niet alles – gelovig evenmin. Wel staat hij nu en dan stil bij wat hem is overkomen. Om zich vervolgens af te vragen of bepaalde dingen niet toch zijn voorbestemd. Als jongetje van een jaar of tien was hij diep onder de indruk van het offerverhaal van Abraham. Het bracht hem op het idee een dier te offeren, in ruil voor een mooie stem. Met een zelfgemaakte katapult liep hij het bos in waar hij een gadotjo op een tak zag zitten. Zo’n klein vogeltje, een huiswinterkoninkje. „Als je mij een mooie stem geeft, zal ik voor je zingen”, klonk het in zijn hoofd. Een stem zo warm en kleurrijk als die van zijn moeder. Mang, wat kon die vrouw zingen!

Het volgende moment vloog zijn steen in de richting van de tak. Een merkwaardige curve; alsof hij er een speciaal effect aan had gegeven. Even later lag de gadotjo onder aan de boom. Kenny B. bouwde een altaar in het bos, offerde het vogeltje en vroeg God om een mooie stem.

Het voorval schoot hem te binnen toen hij op tournee stond te zingen in de monumentale, geheel uit hout opgetrokken Rosakerk, aan de Prinsenstraat, hartje Paramaribo. De mensen die hem hadden uitgenodigd waren dolenthousiast, zoals hij de laatste jaren al zoveel liefde, warmte en good vibes van zijn fans in Suriname heeft ontvangen. Dat Kenny B. zijn stem zou laten horen in hun kerk was een geweldige eer; ze vonden het alleen niet gepast als hij zijn hit Yu Faya (‘Jij vuur’) zou vertolken. Daar was de tekst toch een tikje te heftig voor.

Al zingend kwam de geofferde gadotjo bij hem op. Zou er dan toch ergens een hogere macht in het spel zijn? Een almachtige regisseur, die aan de touwtjes trekt en de loop der dingen bepaalt; het komt hem nog steeds ongeloofwaardig voor. Maar waarom had hij dan vroeger de meest riskante situaties doorstaan en de dood in de ogen gekeken? Waar waren al die baantjes eigenlijk voor nodig? Was dat om hem later aan het zingen te krijgen en daar anderen een plezier mee te doen?

Dat laatste lukt nu ook in Nederland. Met behalve zijn nummer-1-hit ook de cd Kenny B. die al ruim voor de release later deze maand (15 mei) hoog genoteerd staat in de albumtop-50. Zelf blijft hij er rustig onder. In RTL Late Night vertelt hij doodkalm tegen Humberto Tan dat hij waarschijnlijk al te oud is om compleet uit zijn dak te gaan. Op zijn 35ste was dat ongetwijfeld anders geweest. En op de vraag van diskjockey Niek van Q-music waarom Nederland nu pas, op zijn 53ste, kennismaakt met Kenny B. begint de zanger te grinniken: „Ach ja, leeftijd. We zijn allemaal van 2015 toch? Maar ik voel me wel een soort new kid on the block.”

Zijn rustige, haast gelaten houding kan ook liggen aan zijn successen in eigen land. Daar gaat hij sinds een jaar of zeven door voor de ongekroonde Surinaamse ‘King of Pop’ met elf nummer-1-hits. Juist door zijn combinatie van zwoelere reggaenummers als Yu Faya en de opzwepende beats in Wai Gwe.

Op zijn nieuwe cd zijn straks ook een paar Surinaamse nummers te horen. Mogelijk brengt die tweetaligheid hem nog meer hits. Wie zal het zeggen? Ach, zolang mensen aan beide kanten van de oceaan plezier aan zijn muziek beleven, vindt Kenny B. het goed. Dan speelt die bouwvakker, taartinpakker, onderhoudsmonteur en vredestichter toch enige rol van betekenis voor een ander.