De Politiecolumn: Is de politie er wel wanneer het er toe doet?

Mensen voelen zich veilig zich als zij met een gerust hart kunnen vergeten dat over hun veiligheid wordt gewaakt. Is de politie er nog wel wanneer het er echt toe doet? De Politiecolumn, deze week door Guus Meershoek, lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente.

Voor de politie is het zaak er ‘te zijn,’ zo leerde de Amsterdamse korpschef Jelle Kuiper. Veel wijst er op dat het nu juist daar mis zit. De politie is een opzichtig nieuw uniform gaan dragen. Maar ondertussen worden in kleinere plaatsen en stadsbuurten bureaus opgeheven, minder wegpiraten op de bon geslingerd en minder dossiers bij de rechtbank ingediend. Is de politie er nog wel waar en wanneer het er toe doet?

Natuurlijk: veel tekortschieten kan geweten worden aan de omvorming tot Nationale Politie. Die vergt eindeloos overleg en veel papierwerk, veel ambtelijke drukte. De politie is onvermijdelijk veel met zichzelf bezig. Is dat een tijdelijk ongemak, dat voorbij zal zijn als de reorganisatie eenmaal is voltooid?  Mij lijkt van niet. Mij lijkt het werkelijke probleem fundamenteler.

De politie moet aanwezig zijn waar en wanneer ontsporingen van het maatschappelijk leven beginnen, om daar de juiste mensen aan te spreken en te corrigeren. Lange tijd waren die plekken en die tijden redelijk duurzaam. Politiebureaus werden opgericht nabij lastige buurten, in Amsterdam bijvoorbeeld aan de rand van de Jordaan. Twee jaar na het Palingoproer van 1886 kwam er daarom een politiebureau, niet aan de Noordermarkt waar de buurt zich verzamelde want dat zou provocatief werken, maar aan de op schootsafstand gelegen Marnixstraat die bovendien goede toe- en afvoerwegen kent. Tachtig jaar later, toen voor een vijfde maal op die plek een grote volksoploop begon, trok men nog profijt van die beslissing.

Hoewel de kennis van overlast en criminaliteit inmiddels veel groter is dan bij de bouw van bureau Raampoort, lijkt de huidige ontruiming van wijkbureaus en -posten minder goed doordacht. Zo peddelen inmiddels in Enschede wijkagenten meermalen per dag op de fiets tussen het hoofdbureau waar de briefing plaatsvindt en toegang tot de computersystemen bestaat, en de eigen werkplek. Elke vijfduizend  inwoners hebben een wijkagent toegezegd gekregen, ongeacht de buurt waarin zij wonen, hun levensstandaard of andere karakteristieken die onveiligheid zo ongelijk over de bevolking verdelen. Een toezegging die bovendien moeilijk kan worden nageleefd als na de reorganisatie een afslankingsoperatie volgt zoals de krijgsmacht die al achter de rug heeft.

Terwijl krampachtig oude stellingen worden verdedigd, trekt de politie maar moeizaam op in het nieuwe digitale maatschappelijk leven. Daar zijn de bronnen van onrust en fraude minder gemakkelijk te lokaliseren, maken de alomtegenwoordige massamedia de sociale impact van delicten onvoorspelbaar en zijn burgers veel moeilijker tot duurzame medewerking  te bewegen. Die burgers dirigeren bovendien zo nodig met eigen Whatsapp-groepen hun wijkagent. In de digitale samenleving vergt politiewerk een andere manier van observeren, signalen oppikken, analyseren, interveniëren en corrigeren.

Nu ontbreekt het in de politie niet aan initiatieven om in die nieuwe wereld haar plek te veroveren. Het zijn vaak kleinschalige experimenten, bedacht door inventieve mensen op de werkvloer die aansluiting zoeken bij burgerinitiatieven en zelf de nieuwe benadering al eigen hebben gemaakt. Maar deze beklijven zelden. Vaak sneuvelen zij na een dodelijke omarming door het management. Datzelfde management richt vervolgens technocratische informatiesystemen op en verzamelt ongericht grote massa’s informatie, omdat het terecht inschat dat het zich veel laat ontglippen. Een grootse maar machteloze daad.

Die reactie is bovendien het recept voor de moderne ontsporing van de veiligheidszorg. Er gaat iets ernstig mis en achteraf blijkt dat de betrokken instanties wel beschikten over signalen dat iets mis zou gaan. Een eenvoudig probleem van informatie-overload. Schuldbewust ontkennen blijkt niettemin de voor de hand liggende, fatale reactie. Vroeg of laat moet men zich toch verantwoorden. De oplossing? De politieorganisatie zo inrichten dat deze aansluiting vindt bij het ritme van de nieuwe samenleving, zonder de band met de oude samenleving helemaal te verliezen.

Jelle Kuipers politie hoefde niet overal ‘te zijn’ maar alleen daar en wanneer het er toe zou doen en dan niet storend of opdringerigs maar onmerkbaar aanwezig. Veilig voelen mensen zich als zij met een gerust hart kunnen vergeten dat over hun veiligheid wordt gewaakt. Want Kuiper wist ook hoe gemakkelijk de grens wordt overschreden naar een situatie waarin de politie als een vreemde bezetter wordt ervaren en al haar interventies averechts uitwerken. Een goede politie vindt niet alleen dat ritme maar weet ook maat te houden.

Guus Meershoek is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door politiewetenschappers. Volgende week Lex Mellink, sociaal architect.