Onbewezen schade door verbod op dierenporno

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Dit keer: vergoeding na immoreel handelen.

Als de Kamer een wet aanneemt waardoor jouw bedrijfsactiviteiten in één keer verboden zijn, moet de staat dat dan vergoeden? Zeker als er geen enkele compensatie of overgangsregeling voor is afgesproken? In artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is immers het ‘recht op eigendom’ erkend. Overheden mogen daar in beginsel geen inbreuk op maken.

Twee video- en internetbedrijven uit Utrecht en Doetinchem bevonden zich exact in die positie in 2010. De Kamer nam toen een wet aan waarin het plegen van ontuchtige handelingen met dieren werd verboden. Beide bedrijven waren tot die datum exclusief gericht op het vervaardigen en distribueren van dierenporno. Dat vertelden ze althans de rechtbank en later ook het gerechtshof. Zij vonden, als oprechte dierenpornomakers in een tot 2010 legale branche, dat de overheid hun vermogensrechten had aangetast.

Zowel rechtbank als hof heeft géén begrip voor deze ondernemers. Voor zover het om auteurs- en licentierechten op hun films gaat is er geen sprake van ‘ontneming’. Die rechten kunnen ze in Nederland sinds 2010 niet meer exploiteren. Maar nog wel in andere landen, waar dierenporno niet is verboden. Althans dat vertelden ze zelf aan de rechter.

Verder is de maatstaf van dit EVRM-artikel dat er sprake moet zijn van een ‘redelijk evenwicht’ tussen het algemene en het individuele belang. Dat is pas verstoord als het individu een ‘excessieve persoonlijke last’ moet dragen, om dat algemene belang voor te kunnen laten gaan.

Hoe groot was nu het offer dat de twee ondernemers brachten? Daar gaat de zaak mis. Zij leden vast financiële schade, maar de rechter vindt dat zij er niet in slagen om te bewijzen hoeveel precies. Maakten ze echt alleen maar dierenporno, of ook nog andere producties? Welke investeringen deden zij, welke waarde vertegenwoordigden die voor én na de ingangsdatum van de gewraakte wet. Eén van beide ondernemingen had al een negatief eigen vermogen. De rechtbank vroeg zich eerder al af of dat geen gevolg was van het afhaken, in 2004, van creditcardbedrijven die geen online betalingen voor dierenporno wensten aan te bieden.

Kortom, de claim is zo slecht onderbouwd dat de rechter „niet toekomt” aan een oordeel over de vraag of de ondernemers een ‘excessief individueel’ offer moesten brengen. Claim afgewezen.