Zij vond het heerlijk in Westerbork

De moeder van Arnon Grunberg schreef haar kampherinneringen op. Haar jeugdigheid overwon alles.

‘Horadans’ in kamp Westerbork, met rechtsboven Hannelore. FOTO UIT ARCHIEF VAN DE FAMILIE GRÜNBERG-KLEIN
‘Horadans’ in kamp Westerbork, met rechtsboven Hannelore. FOTO UIT ARCHIEF VAN DE FAMILIE GRÜNBERG-KLEIN

Nog altijd duiken nieuwe getuigenverslagen uit de concentratiekampen op die je voorstellingsvermogen te boven gaan. Het is vooral vervreemdend als zo’n ooggetuige zijn of haar ‘geluksmomenten’ achter prikkeldraad beschrijft. Die troffen me ook in Zolang er nog tranen zijn, de kampherinneringen van Hannelore Grünberg-Klein, de moeder van schrijver Arnon Grunberg. Bij haar overheersen nauwkeurigheid en nuchterheid, die de authenticiteit van haar verslag versterken. Bovendien maken allerlei details uit het dagelijks leven in de kampen het tot een belangrijke aanwinst in de kampliteratuur.

De Kristallnacht van 1938 maakte een einde aan haar gelukkige kindertijd in Berlijn, waarin Hannelore nooit iets van jodenhaat heeft gemerkt. Maar bijna iedere ‘joodse burger’ die ze in de twaalf jaar daarna ontmoet, overleeft de oorlog niet. Regelmatig memoreert ze hun namen en krijg je bijna de indruk het geslachtsregister van het Oude Testament te lezen. In die zakelijke opsomming verbergt Hannelore haar verdriet. Op zo’n moment besef je dat ze een overleversmentaliteit heeft. Haar emoties heeft ze in de kampen achtergelaten.

In mei 1939 vertrekt de familie Klein uit Berlijn en na een maand van rondzwerven en afwijzingen belanden Hannelore en haar familieleden in Nederland, waar ze meteen worden geïnterneerd. Wat ze hierover vertelt is vrij uniek, omdat er weinig bekend is over het verblijf van de Duitse joden. Maar het interessantste deel van deze herinneringen begint als Hannelore en haar ouders na de Duitse inval per boot en vrachtauto naar Westerbork worden overgebracht. Hier beleeft ze een bijna idyllische tijd, die vier jaar duurt. De enige mineurtonen klinken tussendoor als ze vermeldt wie van haar vrienden en kennissen niet uit de ‘hel van de diverse Holocaustkampen’ zijn teruggekeerd.

De Kleins behoren in Westerbork tot de ‘bevoorrechten’, omdat Hannelore’s vader in de Eerste Wereldoorlog aan het front heeft gevochten en onderscheiden is. Daardoor ontkomt het gezin lange tijd aan deportatie. Als dat toch gebeurt, lees je: ‘Wij kinderen waren zeer nieuwsgierig naar het nieuwe dat ons te wachten stond, niet vermoedend dat het alleen maar ellende zou betekenen.’

Door de zeldzame combinatie van geluk, haar opgewekte karakter, haar jonge leeftijd, haar naïviteit en het naderende einde van de oorlog overleeft Hannelore Theresienstadt, Auschwitz en Mauthausen. Onderbewust lijkt ze wel degelijk te beseffen dat de dood op haar loert. Zoals in Theresienstadt, als haar vader naar Auschwitz moet en haar moeder haar voorstelt om bij de treinen een goed woordje voor hem bij de kampcommandant te doen. Een week later moeten Hannelore en haar moeder ook naar Auschwitz, met een van de allerlaatste transporten. En opnieuw lees je haar recept voor overleven, als ze in de krappe, volgeladen veewagon zit: ‘Mijn jeugdigheid won het van ellende, moeheid en honger’.

In Auschwitz had ze geen weet van de gaskamers. Als haar moeder door de SS voor de gaskamer wordt geselecteerd, wil Hannelore achter haar aanlopen. Een SS’er stuurt haar de andere kant op. Haar moeder loopt als een slaapwandelaarster door, zonder om te kijken. Het is een aangrijpende passage, die alles verklaart.