Weersta de verlokkingen van de begrotingsmeevallers

Het gaat de goede kant op met de Nederlandse rijksbegroting. De economie trekt sneller aan dan gedacht, en dat betekent in de regel dat de inkomsten van de overheid hoger uitvallen en de uitgaven lager. De resulterende verbetering van het saldo blijkt uit het Stabiliteitsprogramma dat het kabinet, conform de Europese regels, vorige week naar de Europese Commissie stuurde.

In lijn met de eerdere prognoses van het Centraal Planbureau (CPB) wordt voor dit jaar een begrotingstekort voorzien van 1,8 procent van het bruto binnenlands product en voor 2016 nog maar 1,2 procent.

Dat is een behoorlijke verbetering gezien de raming van een jaar geleden. Vergeleken daarmee loopt het kabinet ver voor op zijn eigen voornemens. Het verschil met het regeerakkoord van VVD en PvdA uit 2012 is nog wat groter. En dan is er nog de veel aangehaalde raming van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Dat komt voor dit jaar op een tekort van 1,4 procent en in 2016 zelfs op slechts 0,5 procent. Deze voorspelling moet met een korrel zout worden genomen. Er zijn methodologische verschillen. En nog geen drie jaar geleden vertilde het IMF zich aan zijn raming van het Nederlandse begrotingstekort, dat toen veel te hoog werd ingeschat.

Het beste blijft om te werken met de CPB-cijfers, zij het dat er een gerede kans is dat de economie het nog beter blijkt te doen dan nu wordt voorzien. De eerste gegevens over 2015 zijn veelbelovend.

Het is te verwachten dat de verleiding voor politici erg groot wordt om de teugels wat te laten vieren. Maar de nadelen zijn nu nog te groot. Allereerst moet rekening worden gehouden met mogelijke tegenvallers. Voorbeelden te over: in nationale zin de aardgaswinning, extra afdrachten aan Brussel, mogelijke problemen bij pensioenen en levensverzekeraars door de absurd lage rente. In internationaal perspectief een Griekse uittreding uit de euro, een forse correctie op de Amerikaanse financiële markten of economische instabiliteit in China.

Dit is dan ook de reden dat overheden zouden moeten streven naar een begroting die in evenwicht is. Vanuit die positie mag het tekort dan automatisch oplopen als de conjunctuur tegenvalt, zonder dat er extra bezuinigingsmaatregelen moeten worden genomen die de neergang verder versterken.

Het bereiken van dit uitgangspunt is een pijnlijk proces. Maar het moet het streven blijven van het Nederlandse begrotingsbeleid. Dat betekent niet dat er geen enkele ruimte is. De voorgenomen belastingherziening, mits deze een verlaging van de lasten op arbeid inhoudt, is een maatregel die Nederland beter concurrerend kan maken op de lange termijn én de koopkracht kan verhogen. Het inzetten van meevallers bij de rijksinkomsten voor dit doel, bijvoorbeeld als ‘smeergeld’ dat voorkomt dat groepen er op achteruit gaan, is volgens de Europese regels impliciet toegestaan.

Maar dat betekent wel dat er dan weinig tot geen ruimte kan zijn voor andere wensen. Hoe groot de verleiding ook wordt.