Orphée et Eurydice: wonderschoon

Een geweldige, maximaal gekwelde Orphée door Samuel Boden; expressieve Kristina Bitenc is Eurydice

Eurydice, Orphée enAmor Foto Marco Borggreve
Eurydice, Orphée enAmor Foto Marco Borggreve

Christoph Willibald Gluck hervormde de operakunst met Orfeo ed Euridice (1762). Terug naar de oorsprong. Weg met de vertragende recitatieven. Weg met vocale capriolen, het gaat om het drama. Bij de Nederlandse Reisopera, die nu de Franse versie Orphée et Eurydice (1774) uitvoert, hervormt regisseur Floris Visser het werk van Gluck, zeker de traditionele, romantische kijk daarop. Het leidt tot een wonderschone veelgelaagde voorstelling, die dwingt tot nadenken, indringend, aangrijpend met een universele geldigheid.

Visser gaat terug naar de bron en parafraseert Plato’s analyse van de Griekse mythe. De goden lieten de ziel van de dode Eurydice los uit de onderwereld toen Orphée haar mocht ophalen, als hij haar niet aanzag. Maar hij wordt weggestuurd omdat hij niet de moed opbracht voor Eurydice te sterven. Hij is niet in staat te rouwen, te wennen aan het ondraaglijke, hij wordt gek.

Toen Orphée keek naar de twijfelende Eurydice zag hij een illusie. ‘Het omkijken wordt een inzicht.’ Zien en niet zien is een weerkerend thema: tijdens de vrolijke bruiloft van Orphée en Eurydice wordt Blindemannetje gespeeld. Geblinddoekt kan Orphée Eurydice niet vinden, ze sterft zonder dat hij het ziet. Het leed is niet te overzien, hij legt het bruidsboeket op haar graf.

Visser toont een reeks sterke sobere toneelbeelden die verwijzen naar de pure essentie in extreme situaties. Ze herinneren aan voorstellingen van operaregisseur Karl-Ernst Herrmann, choreografe Pina Bausch, toneelschrijver Samuel Beckett (Happy Days), het ballet La Bayadère vol willi’s, schimmen van meisjes die stierven vóór hun huwelijksnacht.

Alles speelt zich af in een kaal golvend landschap, een versteend Arcadië: de aarde óf de onderwereld óf beide tegelijk. De bruiloftsgasten veranderen in de furiën die Orphée willen beletten het schimmenrijk te betreden. Alles is hier dubbel: Orphée heeft een alter ego in de gevleugelde Amor, een afsplitsing van hemzelf. In een gekwelde terugblik op zijn bruiloft ziet hij Eurydice met Amor trouwen. De geest van Eurydice treedt uit haar lichaam, ze ziet zichzelf half opgeslokt door het zand in haar graf.

De opera, door Berlioz bewerkt en in die romantische vorm meer dan een eeuw het oudste repertoirestuk, klinkt hier weer op quasi-barokke wijze in een juist tempo. Orphée is geen alt of countertenor maar een ‘gewone’ hedendaagse tenor: een geweldige, maximaal gekweld gezongen rol van Samuel Boden. De Eurydice van de expressieve Kristina Bitenc is een beklagenswaardig tragisch personage, die vergeefs probeert greep te krijgen op haar lot. Ze verkeert in totale onwetendheid en ontreddering. Hoe kan zij zomaar geloven in wat Orphée zegt, als hij spreekt over liefde en haar niet eens aankijkt? Groter leed is ondenkbaar.

Hoewel een goede afloop ondenkbaar lijkt, komt die er toch. De vreugde daarover is echter gedempt en dubbelzinnig, want na anderhalf uur existentiële crisis voelt alles in de liefde anders.