Mijn vader was een SS’er

De Funker noemt Ad Fransen (60) zijn vader vaak in Vaderskind. Want toen Ad Fransen in de brugklas zat, vertelde zijn vader hem voor het eerst dat hij marconist van de SS in Bohemen was geweest. Sindsdien wilde hij alles weten over het oorlogsverleden van zijn vader, maar die liet er weinig over los. Vaderskind is het levendige relaas van hoe Fransen steeds meer te weten kwam over het oorlogsverleden van zijn vader. Ook toont hij hoe de SS-jaren het naoorlogse leven van zijn vader bepaalden.

Thuis zat de voormalige SS’er vaak te grommen over zijn oorlogsverleden waarvan hij altijd ‘anderen’ de schuld gaf. Maar tegenover de buitenwereld nam hij, om nooit meer iets verkeerds te doen, een uiterst serviele houding aan. Door het onderwerp – een foute vader en zijn familie – doet Vaderskind denken aan de bestseller De stamhouder van Alexander Münninghoff. Maar Fransen is Münninghoff on speed: terwijl De stamhouder enigszins plechtig is, gebruikt Fransen juist een jolige, spreektaalachtige stijl. Jammer genoeg doorspekt hij zijn verhaal ook met tussenzinnetjes als ‘vind ik prima, mag van mij’, die op den duur irriteren.

Zijn vader noemde zijn zoon in 1955 Adolf – omdat hij hem naar zichzelf vernoemde, niet omdat hij ook na de oorlog een aanhanger van Hitler was gebleven. Integendeel, eigenlijk was Adolf senior nooit een fanatieke nazi. Hoewel hij uit een nationaal-socialistisch nest kwam, had hij geen hekel aan joden. En toen de oude Adolf enige tijd werkte als ‘buitenbewaarder’ van concentratiekamp Amersfoort, deed hij weinig kwaad. ‘In wezen had de Funker niemand bewaakt en zeker niet gestraft of gemarteld’, weet Adolf jr.