Opinie

Kurt Westergaard en de Talibaanstrijder

Kurt Westergaard illustreert de sprookjes van Hans Christian Andersen. „Ik vind er troost in”, vertelt hij achterin het café van De Balie in Amsterdam. In zijn ene hand een glas witte wijn, in zijn andere een bitterbal. Hij heeft zojuist een lezing gehouden over het vrije woord.

Ik denk aan mijn eigen sprookjesboek van Andersen, een vertaling uit de jaren 30 met lieflijke gravures van Rie Cramer. De elfen en de broekenmannetjes dwarrelen over de pagina’s. In De herderin en de schoorsteenveger dreigt een porseleinen herderin te worden uitgehuwelijkt aan een uit hout gesneden mannetje met bokkenpoten, hoorns op zijn hoofd en een lange baard. De geitenbokkenpoots-boven-en-onder-generaal-krijgscommandant. Ze zal zijn twaalfde vrouw worden. Met haar porseleinen schoorsteenveger vlucht ze de wijde wereld in, maar als ze eenmaal op het dak onder de sterrenhemel zitten, durft ze niet meer. Ze keren terug naar het tafeltje onder de spiegel en, zo schrijft Andersen, „zij beminden elkaar tot ze braken”.

„Voorlopig’’, zegt Westergaard, „maak ik geen cartoons meer.”

Het is moeilijk om in Kurt Westergaard een provocateur te herkennen. Het witte haar, de zachte blik, de stiltes die tussen zijn zinnen vallen. Tijdens zijn lezing zaterdag in De Balie zei hij dat tolerantie tegen onze natuur indruist. Die natuur neigt naar vrijheid zonder beperking. „En toch zullen we moeten leren tolerant te zijn.”

Hij had gevraagd, zei hij, of hij de jonge Somaliër kon spreken die hem in 2010 in zijn huis had aangevallen. „Ik zou hem niet veroordelen. Als je tachtig bent, ben je niet vijandig. Dat is tijdverspilling.” Hij wilde hem kunnen begrijpen. Maar zijn verzoek bleef onbeantwoord. De boosheid die zich af en toe van hem meester maakt, noemde hij „een goed actief gevoel”.

Geen buitenlucht, permanente bewaking, een gepantserde auto. Kan hij nog wel eens onnadenkend zijn? Hij schudt zijn hoofd. „Mijn vrouw en ik moeten alles een week vooruit plannen.” Boodschappen doen, de sportschool, de boekhandel, een kopje koffie. „Soms denk ik: misschien had ik dat ook gedaan als ik gewoon oud was geweest.”

„Beroemd zijn betekent niet dat je gelukkig bent”, zegt hij na een tijdje. Kan hij niet meer gelukkig zijn? „De situatie heeft me geleerd om mijn leven te waarderen”, zegt hij. „Ik leef heel geconcentreerd. Bedenk steeds wat ik per se wil: mijn tien kleinkinderen regelmatig zien, nieuw werk maken.” Hij ziet uit naar het bezoek dat hij de volgende dag in Nederland aan zijn dochter zal brengen.

Dan vormen vijf mannen met oortjes een kring om Westergaard en zijn vrouw. Zij neemt hem bij de arm naar de traplift.

Thuis zoek ik het nieuwe werk van Kurt Westergaard op. Bij De herderin en de schoorsteenveger dansen de waterverftekeningen in blauw, roze en groen over elkaar heen. Mannenvogels in driedelig pak. De herderin is een gouden vruchtbaarheidsgodin, de schoorsteenveger heeft blosjes op zijn wangen. Er rijdt een pantserwagen rond. Rechts onderaan lijkt de tekenaar zichzelf te hebben afgebeeld, met aan de hondenlijn een klein amfibievaartuig. Achter hem staat een boze engel.

Links in de hoek herken ik de uit hout gesneden man met de bokkenpoten en de baard. Hij heeft een patroongordel om en een aangestoken bom in zijn handen. Uit de tulband op zijn hoofd steken hoorns. In zijn zwarte tekstballonnetje staat: ‘geitenbokkenpoots-boven-en-onder-Talibaanstrijder’. Dit is geen sprookjesfiguur meer, dit is een cartoon. Westergaard kan het niet laten.