Opinie

Ja, er moet publiek zijn. Maar je kunt publiek ook kweken

Het cultuurdebat over kunst en publiek beleeft deze maand een nieuwe piek na de recente rapporten van de Raad voor Cultuur en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het artikel van Melle Daamen in deze krant (16/4). Hamvraag: moet bij kunstsubsidie de intrinsieke waarde van kunst centraal staan, of mag die waarde worden gerelativeerd, en is de aansluiting met publiek doorslaggevend?

Muziek, alle muziek, heeft mensen nodig. Musici moeten in muziek geloven om die uit te willen voeren. Luisteraars moeten willen luisteren. Zonder beiden is muziek een verzameling slapende of, als gespeeld in een lege zaal, comateuze noten. Maar dat betekent niet dat de actuele aanwezigheid van een publiek de enige leidraad moet zijn bij het al dan niet steunen van kunst. „Kunst gaat pas werken als het communiceert”, citeert Daamen de Raad. Maar communiceren moet je leren, en ons muziekonderwijs is decennialang verwaarloosd. Dan moet je als subsidiërende instelling ook durven zeggen: dit is de kwetsbare topkunst waar wij van harte in geloven, en waarvan wij vinden dat er een publiek voor moet komen. Om vervolgens wat extra geld uit te trekken voor marketing en communicatie.

Binnenkort verschijnt de 271 pagina’s tellende studie Rieu, maestro zonder grenzen. De auteurs zijn drie cultuurwetenschappers uit Limburg, die elkaar vonden in hun fascinatie voor het fenomeen André Rieu als „exemplarische casus” van onder meer het smaller worden van de kloof tussen hoge en lage cultuur. Rieu wordt erin omarmd als doorbreker van de ‘Grote Verstijving’ ; zijn shows hebben klassieke muziek weer „leuk en spannend” gemaakt. Alsof een stil (want: ademloos) beluisterd klassiek topconcert in het Concertgebouw niet leuk en spannend kan zijn!

Zo wordt het discours over hoge en lage kunst gevoerd door een elite met een merkwaardige schrik van het elitaire. Goed, Rieu brengt programma’s waarin klassieke muziek voorkomt. Dat kun je als overbrugging van de grens tussen hoge en lage cultuur opvatten. Maar wat Rieu biedt is maximaal doorontwikkeld, hooggepolijst topentertainment. Niks mis mee, integendeel. Maar er moet ook iemand blijven roepen dat er wel een normatief kwaliteitsverschil is tussen het Johann Strauß Orchestra en het Concertgebouworkest. Tussen Beethovens Romance in F gespeeld door Rieu of door Arthur Grumiaux. Luister maar na op Spotify.

Het is allemaal een kwestie van communiceren.