Het ontslapen woord

Wij herdenken om de getuigenissen van ooggetuigen voort te laten leven. Dat is de morele opdracht, schrijft Arnon Grunberg.

Het is niet vanzelfsprekend dat wij zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog hier nog staan. Het menselijk geheugen is beperkt, ons historisch besef gemankeerd en de neiging tot vergeten en verdringen een onmisbaar onderdeel van de menselijke overlevingsstrategie.

Voor zover herdenken zich in de beslotenheid van de huiskamer afspeelt, een zaak blijft van het individu, is het eerst en vooral wat Freud noemde: rouwarbeid. Over deze arbeid merkte Freud op dat die er uiteindelijk toe leidt dat ‘ontzag voor de realiteit de overhand krijgt’. Maar een officiële herdenking is meer en wíl meer zijn dan rouwarbeid. Zij is niet neutraal noch apolitiek, zij toont wie wij willen zijn en hoe wij ons verhouden tot het verleden, zij is een bouwsteen van collectieve identiteit.

Wij staan hier omdat het nazisme, het Derde Rijk, een waterscheiding betekende in de geschiedenis van de mens. Ik zeg nadrukkelijk: de mens. Niet de Nederlander, niet de Jood, niet de Duitser, zelfs niet de Europeaan. Dat doe ik omdat de industriële vernietiging van miljoenen mensen, vrouwen, mannen en kinderen, Joden, zigeuners, politieke gevangenen, homoseksuelen, geesteszieken, minderwaardig geachte volkeren zoals de Polen, zorgvuldig voorbereid en efficiënt uitgevoerd, ons mensbeeld heeft aangetast.

En dat mensbeeld gaat iedereen aan die zich mens noemt, voor zover wij er tenminste van uitgaan dat er een gedeelde menselijkheid bestaat, voor zover wij vasthouden aan het ideaal en de praktische vaststelling dat wij mensen iets fundamenteels delen, hoe verschillend onze gewoontes, onze overtuigingen en onze tradities op het eerste gezicht ook mogen lijken.

Hoe te leven met een beschadigd, misschien wel vernietigd mensbeeld? Wat betekent het woord ‘beschaving’ nog als die beschaving niet in staat bleek haar eigen idealen waar te maken?

Niet lang geleden, eigenlijk vrij recent – er leven immers nog altijd ooggetuigen, zij het niet veel meer – schoten in het hart van wat wij de beschaving noemen, filialen van de hel als paddestoelen omhoog, met stilzwijgende toestemming van de meeste burgers, met actieve medewerking van veel andere burgers. Daardoor is het vertrouwen in de ander, en daarmee in onszelf, fundamenteel beschadigd, en niets wijst erop dat het vertrouwen werkelijk hersteld is.

Jean Améry, geboren als Hans Mayer in een Joods maar volstrekt geseculariseerd gezin in Wenen in 1912, gefolterd door de nazi’s in België, overlevende van onder andere Auschwitz, heeft belangrijke dingen gezegd over dit geschonden vertrouwen. Hij schreef: ‘Wie ooit gefolterd is, voelt zich nooit meer thuis in deze wereld. De smaad van de vernietiging laat zich nooit meer uitwissen. Het vertrouwen in de wereld, dat al deels bij de eerste klap en later tijdens de foltering in zijn volle omvang wordt gebroken, komt nooit meer terug. Dat de medemens als tegenmens wordt ervaren, staat als een hoge muur van verschrikking in de gefolterde overeind; daar kan niemand overheen kijken naar een wereld waarin de hoop regeert.’

Wij zijn niet de gefolterden noch zijn wij de folteraars van Hans Mayer en miljoenen anderen, maar in zekere zin zijn wij getuigen. Wij herdenken namelijk om de getuigenissen van ooggetuigen als Améry voort te laten leven. Dat is de morele opdracht die wij onszelf moeten geven en als wij die opdracht serieus nemen, dan moeten wij erkennen dat wat de ooggetuigen hebben gezien ook ons vertrouwen breekt. Dat ook wij niet over de muur kunnen kijken naar een wereld waar hoop regeert. De mens na het Derde Rijk is wezenlijk anders dan degene die ervoor bestond.

In zijn boek Schuld en boete voorbij schrijft Améry dat Jean-Paul Sartre noteerde dat hij er dertig jaar over heeft gedaan zich te ontdoen van traditioneel, filosofisch idealisme, maar Améry merkt op dat dat in Auschwitz stukken sneller ging. En hij haalt een landgenoot aan, de aforist en essayist Karl Kraus, die stierf voor de nazi’s hem konden doden. Kraus schreef over het Derde Rijk: ‘Het woord ontsliep toen die wereld ontwaakte.’ Améry voegt daaraan toe: ‘En wij blijven niet eens achter met het gevoel dat wij zijn heengaan moeten betreuren.’

Wat is precies dat woord dat is ontslapen? Dat is het humanistische woord, dat is de optelsom van onze cultuur en onze beschaving, van datgene waar wij dikwijls beweren trots op te zijn. Op het eind van onze beschaving kwam niet de socratische dialoog, op het eind stond de beulsknecht.

Net als andere overlevenden vraagt Améry zich vertwijfeld af of wij werkelijk iets hebben geleerd. Nee, het Derde Rijk bestaat niet meer, en niet alle beulsknechten mogen met elkaar vergeleken worden, maar het folteren, dat Améry als essentie van het Derde Rijk beschouwde, is niet gestopt.

Ook dat is het doel van herdenkingen als deze: antwoord geven, of althans proberen te geven, op de vraag hoe wij, die ons niet meer zonder voorbehoud kunnen vereenzelvigen met de humanistische idealen van vóór de slachtpartijen van de twintigste eeuw, wij die leven in een wereld waar een muur staat tussen ons en het universum waar hoop regeert, toch iets van een ideaal kunnen formuleren, naar iets van hoop kunnen verwijzen; bescheiden, vol aarzeling, onzeker. Misschien kunnen we dat vinden in het besef dat spreken over wanhoop ook een vorm van hoop is.

Het doorgeven van getuigenissen is eveneens te beschouwen als een poging tot kennisoverdracht. Wij herdenken namelijk geen abstracties, maar mensen die een specifiek leven hebben geleid en op een specifieke manier en op een specifieke plaats zijn omgebracht.

Améry schreef dat het kwaad alleen banaal is voor hen die het niet aan den lijve hebben ervaren, die het uitsluitend kennen toen het al opgesloten was in een kooi. Een doel van bijeenkomsten als deze zou moeten zijn, hoe onmogelijk misschien ook, ons te verplaatsen in de ooggetuigen, in hen die dat kwaad aan den lijve hebben ervaren, die zijn teruggekeerd, of niet, die een graf in de wolken hebben gevonden.

Laat ik afsluiten met de woorden van een andere ooggetuige, M.S. Arnoni, overlevende van Auschwitz; zijn zuster en ouders zijn in de kampen vermoord. Hij keert jaren later terug naar Polen en doet verslag van die reis in zijn boek Moeder was niet thuis voor haar begrafenis. Hij schrijft: ‘Ik ging naar Polen om het verleden te begraven, maar het laat zich niet begraven.’ Hij noteert dat hij nooit gescheiden had mogen worden van de doden. Ook concludeert hij dat de mensheid niets wezenlijks heeft geleerd – ik vrees soms dat hij gelijk heeft. Arnoni sluit af met de zin: ‘Moeder, ik schaam me, ik ben nog steeds onder de levenden.’

Zijn schaamte is niet de onze, kán niet de onze zijn, maar iets van zijn schaamte zit in ons, móet in ons zitten.

Twee namen wil ik nog noemen, want de doden leven voort als ze genoemd worden. Ruthild Grünthal, een goede vriendin van mijn moeder in Westerbork. Mijn moeder bewonderde Ruthild om haar intelligentie en haar wijsheid. Op 28 februari 1945 is Ruthild Grünthal vermoord.

En Karlchen Weisz, een van de kleuters die mijn moeder onder haar hoede had in Thersienstadt. Karlchen was geboren in Westerbork, in Theresienstadt was hij drie jaar oud. Hij wilde nooit zijn jasje uitdoen en op de vraag van mijn moeder ‘waarom niet?’, antwoordde hij: „Het kan gestolen worden.” Mijn moeder schrijft in haar memoires: ‘We hadden al onze overredingskunsten nodig om hem te overtuigen dat het jasje wel veilig was. Hij keek ons dan treurig aan met zijn prachtige, amandelvormige donkerbruine ogen en geloofde ons toch niet.’

Datum en plaats waar Karlchen Weisz is vermoord zijn mij niet bekend.