Ben Ali Libi - Goochelaar / Verlies niet de moed

Ben Ali Libi was goochelaar. Zijn naam stond op een lijst van artiesten die in de oorlog

werden vermoord. Willem Wilmink schreef een wrang gedicht over hem – Dus keek ik er met verwondering naar / Ben Ali Libi. Goochelaar – en dat gedicht was voor programmamaker Dirk Jan Roeleven de aanleiding voor de documentaire Ben Ali Libi - Goochelaar, die vanavond te zien is op NPO 2 (20.55-22.00u.).

Het werd een documentaire over een man die in 1943 in concentratiekamp Sobibor om het leven kwam en daarna vrijwel geheel is vergeten. Veel mensen dachten zelfs dat Wilmink hem had verzonnen. Alleen enkele nazaten wisten nog dat Ben Ali Libi in werkelijkheid Michel Velleman heette en zichzelf in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw afficheerde als „humoristisch goochelaar”.

Een foldertje, een paar krantenknipsels en een handvol foto’s, veel meer is van de door Wilmink als „kleine schlemiel” omschreven artiest niet overgebleven. Maar wonderbaarlijk genoeg werd er ook een filmpje teruggevonden van een vooroorlogs optreden van Ben Ali Libi, op het dak van Vroom & Dreesmann in Breda. Kippenvelverwekkend om hem daar, alsof het leven hem toelacht, aan het werk te zien.

Roelevens documentaire vertelt een verhaal uit vele, maar juist het vederlichte genre waarin deze goochelaar werkzaam was, schrijnt des te meer met het lot dat hem trof.

In feite geldt dat evenzeer voor de film Verlies niet de moed, later op de avond op dezelfde zender (23.00-0.25u.), hoe verschillend die ook is van inhoud en stijl. Hella de Jonge, de vrouw van Freek, portretteert hier haar vader Eli Asser, die de oorlog overleefde als joods onderduiker en daarna uitgroeide tot schrijver van grote komische televisiesuccessen als Citroentje met suiker en ’t Schaep met de 5 Pooten, dat in 2006 een remake kreeg bij de KRO.

De relatie tussen vader en dochter is altijd moeizaam geweest, al was het maar door de pijnlijke sporen die de oorlog bij Asser had achtergelaten. Maar door samen langs zijn oorlogslocaties te reizen – waaronder het slootje waar hij letterlijk naar de vrijheid sprong – raken ze uiteindelijk echt in gesprek. Asser legt uit dat het voor joodse overlevenden na de oorlog een zware plicht was kinderen te krijgen: „Het was een opdracht, het móest.” Hij vindt het, sprekend over zijn vermoorde familieleden, nog altijd „zo walgelijk van mezelf dat ik nog wel leef en zij niet”. Hoe hij met die bagage toch zo’n succescarrière in de humorbranche kon maken, wordt in de film niet rechtstreeks gevraagd. Een eenvoudig antwoord is er dan ook niet.

Henk van Gelder