Opinie

De lijst is te lang, je bent zo machteloos

‘Eerst waren Europeanen allemaal Charlie. En nu er zoveel mensen verdrinken? Wat zijn ze nu?’, vroeg Sigrid Kaag, VN-gezant in Libanon vorige week retorisch in een interview in deze krant. Oh? Moeten we nu allemaal ‘Je suis een blootvluchteling’ achter ons raam plakken? Mogen we geen verschil meer maken in geschokt zijn? Moet geschokt zijn ook rationeel verlopen? Zo wérkt het toch helemaal niet. Hou toch eens op met dat moralisme.

Zo zat ik zachtjes te briesen boven de krant en voelde me ongemakkelijk. Want je weet heel goed dat als de verontwaardigingsmotor aanslaat, iemand iets geraakt heeft. En dat je verontwaardiging een manier is om dat weg te duwen.

Wat duwde ik dan weg? Onmachtige en veel te globale gedachten. Over heel dat complexe vluchtelingenprobleem, inclusief de terreur en de dictatuur in Afrikaanse en Arabische landen, inclusief de gestoorde Assad, de bloeddorstige milities, de fanatieke jonge moordenaars in hun zwarte geloof, de wanhopige vluchtelingen, de onstuitbare mannen die menen dat ze een veel beter leven zouden kunnen hebben in Europa, de mensensmokkelaars met hun nietsontziende methoden – oh hou maar op. De lijst van dingen waar je van schrikt en niets aan kunt doen is zo lang. Je bent zo machteloos.

‘Ik begrijp dat mensen, zelfs mensen met de beste voornemens, op een dag zeggen: ik geef het op, ik blijf in Appelscha en wied mijn tuintje. Dat wil ik soms ook wel’, zei Kaag ook nog.

Hmm. Ze zegt dat ze het begrijpt, maar ze keurt het af, dat is wel duidelijk. Zij zou dat ook wel willen, dat tuintje. Lekker makkelijk. In Appelscha. Kan het suffer? Kan het burgerlijker?

En daar zit je dan, je kijkt naar je tuintje, het ligt in Groningen in een gebied dat je dezer dagen alleen maar fluisterend ‘het aardbevingsgebied’ durft te noemen, want kijk eens naar Nepal als je het over aardbevingen wilt hebben.

Het enorme verschil tussen wat er op de wereld gebeurt en je eigen eenvoudige momenten van geluk als je dat tuintje aan het wieden bent, is vaak stuitend. ‘Il faut cultiver notre jardin’, zei Voltaires Candide. Maar ook die bedoelde daar dan weer niet mee dat je tevreden moet zijn met de bloeiende tulpen in je uitzicht, maar meer dat je moet doen wat je kunt. Ook, of juist, voor anderen. Voor de wereld. Want alles is niet goed zoals het is. Het is verkeerd.

Tegelijkertijd zijn de tegenstellingen, zo gesteld, wel wat erg grof en makkelijk. Alsof wie zich niet het lot van de hele wereld aantrekt meteen niets anders meer doet dan tuinieren. Zulke grote onderwerpen zijn zo makkelijk verpletterend, waardoor het DNA van de fruitvlieg, de gedragingen van het Nederlandse werkwoord (wat een verrukkelijk stuk was dat laatst in de krant!), de godenwereld van de Assyriërs, een streep rood op de juiste plaats van een schilderij, ineens allemaal zeldzaam onbelangrijk lijken. Maar zo is het niet. Het is niet per se egoïstisch of defaitistisch om je, gezeten in Appelscha, Parijs of Baden-Baden, intensief met iets anders bezig te houden dan hoe en of Europa veertig mannen uit Eritrea moet helpen.

Bovendien kan zo’n tuin, zo makkelijk als beeld van uiterste gezapigheid op te voeren, net zo goed de enige plaats zijn waar iemand juist even niet gekweld wordt door de afgrondelijke mogelijkheden van de zelfkritiek, de schuldgevoelens, de zinloosheid, de melancholie.

Sigrid Kaag doet goed werk. Maar we zijn niet allemaal Kaag en we kunnen dat ook niet allemaal zijn.

Doe wat uw hand te doen vindt. Dat is het enige.