Chinees sprookje sneeuwt onder; Ravels’ klucht in balans

Al in 1908 begon Stravinsky aan zijn toonzetting van Andersens sprookje over de Chinese nachtegaal, maar legde het werk al na één akte terzijde. In Parijs schreef hij zijn beroemde balletten en zorgde met Le sacre voor hét muziekschandaal van de moderne tijd. Geprikkeld door een flinke cheque voltooide hij alsnog de korte opera Le rossignol (1914).

Het contrast is enorm – én functioneel: het woud van de eerste akte is nog onbestemd en mysterieus ‘Russisch’; het Chinese keizerhof van de tweede, een mens- en machinewereld, is qua felheid, durf en originaliteit helemaal Stravinsky. Dirigent Charles Dutoit liet het koor in de balans wat ondersneeuwen, en bij sommige fortissimi ook zijn solisten. Een deel van de cast was door ziektes ter elfder ure gemobiliseerd, zoals coloratuursopraan Julia Novikova in de titelrol, die zij virtuoos, doch wat monochroom vertolkte.

Ravels evenwichtigere L’heure espagnole (1911) is een hilarische klucht over klokkenmakersvrouw Concepción (mezzo Julie Boulianne) die tracht haar man te bedriegen. Maar dichter Gonzalve (tenor Frédéric Antoun) blijft maar barokke verzen verzinnen, en bankier Don Iñigo komt klem te zitten in een klok. Muilezerdrijver Ramiro (glansrol van bariton Thomas Oliemans), die vrouwen nog ingewikkelder vindt dan klokmechanieken, sjouwt voortdurend in klokken verstopte minnaars rond en verovert uiteindelijk Concepcións hart. Bariton David Wilson-Johnson, bij Stravinsky nog een strenge Chinese keizer, zong én acteerde de patserige Don Iñigo prachtig.