Zij speelde het onschuldige meisje

Ellis Brandon (92) ging als zeventienjarige bij het verzet. Nu is ze de laatst levende vrouwelijke Engelandvaarder. Carlijn Vis interviewde haar oma.

foto Frank Ruiter
foto Frank Ruiter

‘Weet je wat ik nog mis? Mijn asbak.” Ellis Brandon, 92 jaar, neemt een trekje van haar sigaret. Haar familie vindt dat ze moet stoppen met roken, maar hoe harder ze dat roepen, hoe minder ze dat van plan is.

Want Brandon doet waar ze zin in heeft, altijd al gedaan. Ze heeft ervoor gevochten om haar eigen keuzes te kunnen maken, en die vrijheid gaat ze nooit opgeven.

„Ik denk dat ik niet zoveel ben veranderd sinds ik zeventien jaar was. Een heleboel ideeën die ik nu heb, had ik ook al toen ik jong was.” Haar moeder overleed toen ze zes jaar was en daardoor is ze vroeg volwassen geworden, zegt ze. En haar vader dan? Ze heeft altijd het gevoel gehad dat ze meer voor hem zorgde dan andersom.

Zonder moeder groeide ze op in een mannenwereld, en daardoor is „mannendenken” haar vertrouwd. Ze doelt op het rechtlijnige in haar karakter: als jong meisje beoordeelde ze al of iemand goed of slecht was, zwart of wit. Een grijs gebied bestaat niet. Het idee dat een mens goed of fout is, werd in oorlogstijd alleen maar sterker: je móést daarin een keuze maken en dat kon een kwestie van leven of dood zijn.

„Als we nieuwe mensen ontmoeten en mijn man zegt: ‘Goh, wat een aardig stel, hè?’ dan antwoord ik: ‘Aardig, ja, maar ik zou niet bij ze willen onderduiken’.” Een erfenis uit de oorlog. Net als de vriezer vol kliekjes.

Haar broekspijpen zitten in haar zwarte Uggs gestopt, het pakje sigaretten in de schacht van haar rechterschoen. Assen doet ze in een zilveren asbak, in de koffie gaan telkens een paar zoetjes en per dag verslindt ze twee kranten. Autorijden doet ze zonder bril, haar ogen heeft ze een paar jaar geleden laten laseren. Als 92-jarige is ze nog altijd toekomstgericht: elke dag kan er iets nieuws worden geleerd of gelezen. Haar agenda staat vol met afspraken en klusjes: een lezing in het Verzetsmuseum, de tuinstoelen schilderen of het zilver poetsen. Als er vrienden of familie uit Nederland naar België rijden, waar ze woont, krijgen ze een behoorlijke maaltijd: eerst koffie met zelfgebakken cake, daarna zalm uit de oven, met aardappeltjes en een saus van rivierkreeftjes. En donkere chocolademousse toe. Ze kookt nooit twee keer hetzelfde. Soms lijkt het alsof ze iedere dag leeft alsof het de laatste zou kunnen zijn.

Ze vindt ook nog zoveel dingen leuk, zegt ze. Vaste prik in de ochtend is zwemmen, in een piepklein badje met een jetstream waar ze tegenin zwemt. Alleen als de pomp van haar zwembadje stuk is, kan ze chagrijnig worden. Verder niet.

Of toch? Als ze vertelt over de jurk die prinses Beatrix (toen nog koningin) een paar jaar geleden aanhad op 4 mei, schiet haar stem omhoog, evenals het volume: „De majesteit droeg een jurk gemaakt van twee verschillende soorten stof. Toen dacht ik: mens, hoe kan je dat nou doen? Want zo zagen oorlogskleren eruit: manchetten, kragen en andere versleten delen werden gerepareerd met een ander stukje stof.”

Als Engelandvaarder* mocht ze bij de oma van Beatrix op de thee; koningin Wilhelmina bewonderde Engelandvaarders om hun daadkracht en zag hen als afgezanten van haar volk. Door met hen te praten op haar kantoor in Londen kreeg ze informatie over het leven in bezet Nederland.

Brandon ontsnapte in 1943 (op dat moment net twintig jaar) uit bezet gebied en kwam op 9 januari 1944 aan in Londen. Is ze bang geweest tijdens die reis? „Niet bang zijn kun je leren. Je moet de gedachte dat iets eng is gewoon niet toelaten in je hoofd. Daarbij: als je een plan hebt, moet je daarvoor gaan. En niet denken aan wat er mis kan gaan.”

10 MEI 1940

Haar vader wordt hysterisch op het moment dat de Duitsers het land binnenvallen. Echt hysterisch. Met huilen en gillen en vloeken dat hij weg had moeten gaan. Hij blijft maar schreeuwen. De zeventienjarige Ellis Brandon staat aan zijn bed in hun huis in Heemstede en probeert hem te kalmeren: „Er is nu niks meer aan te doen, het heeft geen enkele zin om zo te gillen, daar bereik je niets mee.” Uiteindelijk belt ze de dokter en die geeft hem een aantal spuiten om tot rust te komen. Sindsdien weet ze: ik moet voor mezelf zorgen.

Die dag besluit ze ook meteen: ik laat me niet bezetten.

Via haar toenmalige vriendje, de negentienjarige Herman Friedhoff, rolt ze in het verzet. „Iedereen deed wel wat, de een meer of ingewikkeldere dingen dan de ander.” Bonkaarten stelen, Joodse gezinnen helpen, geheime berichten overbrengen en koerieren voor Het Parool. Brandon distribueert onder meer die ondergrondse krant: „Je kon als meisje misschien niet vechten, maar je kon er wel voor zorgen dat mensen werden geïnformeerd, dat ze wisten wat er aan de hand was.

„Vrouwen leken in die tijd misschien minder belangrijk, maar ik heb geen moment het gevoel gehad dat ik minder was dan de mannen in het verzet. Bepaalde dingen kon ik juist doen omdat ik een vrouw ben.” Zo brengt ze regelmatig geheime berichten over aan prominenten als Wiardi Beckman, politicus en hoofdredacteur van Het Volk, en Herman van Roijen, die na de oorlog minister van Buitenlandse Zaken zou worden; een meisje op een fiets is veel minder verdacht dan een man.

Samen met haar vriend Herman Friedhoff bezoekt ze ook Joodse gezinnen in Amsterdam en probeert hen ervan te overtuigen dat ze moeten vluchten. Ze herinnert zich een gezin met een Perzisch tapijt op de keukentafel en geld in de theepot. Friedhoff kende een vluchtroute tot aan Frankrijk, die weg had hij zelf getest. „Maar die arme Joden waren bang voor het onbekende. Ze hadden gehoord over ‘werken in het oosten’ en konden zich daar beter een voorstelling van maken dan van het plan waar wij mee kwamen.” Ze vragen haar: „Kunt u garanderen dat die route veilig is?” Nee, zegt ze dan in alle eerlijkheid. Achteraf had ze misschien ‘ja’ moeten zeggen, ja, dat kunnen we garanderen. „Soms liep ik na zo’n afspraak weg en stonden de tranen in mijn ogen.”

In 1940 en 1941 is het verzet volgens Brandon behoorlijk ongeregeld. „Amateuristisch, een soort padvinders waren we.” Vanaf 1942 komt daar verandering in, als allerlei losse verzetsgroepen proberen de krachten te bundelen en samen te werken, een proces waar Wiardi Beckman aanvoerder van is, met wie Herman Friedhoff nauw contact heeft.

„Het grootste probleem van het verzet was dat er te veel is gepraat. Van dat geklets en geroddel zijn veel mensen het slachtoffer geworden: zowel onderduikers als verzetsmensen. Aan de andere kant: als er geen ondergronds netwerk was, waren meer mensen misschien langer neutraal gebleven.”

Zelf was ze niet zo bang. „Ik leefde met het gevoel: mij overkomt niks. Maar dát leer je af.”

Overigens was ze wel bang voor martelen. Binnen het verzet is er een stille afspraak: als je wordt opgepakt, moet je proberen ten minste twee dagen je mond te houden, dan kunnen anderen worden gewaarschuwd. „Ze deden brute dingen hoor, nagels trekken en zo. Ik weet niet of ik daar tegen zou kunnen. Ik ben geen heldin.”

DE GESTAPO OP DE STOEP

Op 7 augustus 1942 gaat bij Friedhoff thuis de telefoon. De moeder van Herman neemt op. Het is een verzetsmaat van haar zoon: een van de vrienden is opgepakt.

„Ze komen eraan.”

Friedhoff en zijn moeder doen samen de deur open. Boven hoort Ellis Brandon meteen dat het mis is: de stemmen van een Nederlander en een Duitser. Ze blijken Gestapo te zijn en vragen om Friedhoffs persoonsbewijs. Hij loopt naar boven. Daar staat Brandon al klaar met een blikken doosje waarin een vals identiteitsbewijs zit en wat geld. Ze heeft het raam naar het dak opengezet. Friedhoff klimt via de goot naar het dak van de garage en springt eraf aan de achterkant, aan de tuinzijde. Langs bosjes en struiken kruipt hij door een paar tuinen en gaat dan liggen onder een struik van buren, die hij vertrouwt.

Brandon loopt naar beneden, ze wil weten wat er aan de hand is. „Ze vroegen wie ik was en of ik mijn papieren even wilde laten zien.” Die zitten in haar fietstas. „Natuurlijk meneer, geen probleem, ik ga ze buiten even pakken.”

Braaf haar identiteitsbewijs pakken doet ze niet. Ze stapt op de fiets en rijdt rustig naar huis, naar de Heemsteedse Dreef in Heemstede. „Iedereen wist: als je weg kon komen, moest je weggaan in plaats van vol met je snuit erin.” Het stikt thuis van de ‘verboden krantjes’, dus ze wil tijd kopen om die spullen te verstoppen, de radio weg te draaien van de frequentie van Radio Oranje en haar vader te waarschuwen.

Dat doet ze zo: „Papa, ze komen eraan. Denk eraan dat u zich er niet mee bemoeit, ik zal de Gestapo te woord staan.” Haar vader schrikt, natuurlijk. „Ik hield zielsveel van mijn vader, maar ik vond hem ook een beetje onhandig, zeker als hij geëmotioneerd was, daarom leek het me beter als hij zich niet in het gesprek zou mengen.”

Vader Brandon luistert naar zijn dochter, inmiddels negentien jaar oud. Als de Gestapo komt, neemt Brandon ze mee naar de tuin. „Toen heb ik het jonge, onschuldige meisje gespeeld en gezegd dat ik zó geschrokken was dat ik naar huis wilde, naar mijn vader. Heel vilein.”

De twee mannen behandelen haar „keurig netjes”, spreken haar met u aan, afwisselend in het Nederlands en in het Engels, talen die Brandon beide goed beheerst. Ze vragen haar wat Herman Friedhoff met het verzet te maken heeft. „Geen idee”, zegt ze. „Dus u wilt beweren dat u niets weet van zijn activiteiten?” Haar antwoord: „De enige activiteit die ik van hem ken, is dat hij goed kan zoenen.”

De mannen willen even binnenkijken: ze gaan het hele huis door. In de werkkamer van haar vader staat een bureau, ze kijken er verlekkerd naar en trekken alle lades open, maar vinden niets. „Toen zijn ze afgedropen.”

Het was niet de vraag of ze kwamen, maar wanneer: „Het hoorde bij het spel. Ik was al twee jaar bezig met het ondergrondse verzet. We hoorden regelmatig vergelijkbare verhalen van anderen, ik was altijd op mijn qui-vive.”

Later zal Brandon horen dat de moeder van Friedhoff is meegenomen naar het bureau. Als lokaas. De vrouw zit maandenlang met twee prostituees en een communist in de cel. In ruil voor haar zoon mag ze eruit, maar ze had met haar familie afgesproken dat dat niet ging gebeuren. „Dat was pas echt een stoer mens.”

Die nacht nog besluit Brandon te gaan onderduiken. De volgende morgen klopt ze vroeg op de deur van haar vaders slaapkamer: „Ik ga weg, papa.”

ONDERDUIKEN

Hij fietst met haar mee naar Zandvoort. Nu denkt ze: jeetje, dan heb je één dochter en dan moet je haar in een tijd van oorlog loslaten, van je weg laten fietsen.

Hij vraagt gelukkig niet waar ze naartoe gaat. „Mijn vader kende de spelregels: hoe minder hij wist, hoe beter.” Ze hebben op dat moment geen idee óf en wanneer ze elkaar weer zullen zien.

Brandon fietst door naar Bloemendaal, naar een verzetsvriend, daar zal Friedhoff inmiddels ook zitten. Het adres is van tevoren besproken, Friedhoff en zij kunnen er één nachtje blijven. Waar ze daarna– in de acht maanden die ze ondergedoken zit – allemaal logeert, exacte adressen en huisnummers, weet ze niet meer. „Ik denk dat ik dat na de oorlog moedwillig ben vergeten, zo van: dat hoeft nu niet meer.” Ze herinnert zich wel allerlei details over hoe het bij die logeeradressen was.

Bij Rotterdam slapen ze een weekend op een bouwplaats, op zaterdag en zondag uitgestorven, alleen doordeweeks zijn daar werkers. Toch slaan ze op de vlucht als ze in de verte mensen zien aankomen. Even later begrijpen ze dat die eten komen brengen.

Maximaal twee of drie dagen blijft ze op eenzelfde adres. Met twee logees gebruiken mensen meer melk en meer brood. De bakker en de melkboer, die dan nog aan de deur komen, begrijpen meteen waarom een mevrouw die normaal 1 liter melk koopt, nu ineens steeds 2 liter nodig heeft.

Brandon en Friedhoff verblijven ook een paar nachten in Laren in een huis dat ‘De Uiterton’ heet. De eigenaar is marineofficier en al een tijdje van huis. Om die leegte op te vullen, neemt zijn vrouw allerlei mensen in huis. „Het was daar zowaar gezellig, met een heel zooitje jonge mensen. Een warm huishouden, iets wat ik niet echt kende.”

Aan het begin van de onderduik koeriert ze nog. Als ze op een dag in de trein van Amsterdam naar Haarlem stapt, zit haar vader ineens in precies die wagon. „We zagen elkaar, keken elkaar aan en bleven gewoon zitten, want hij zou gevolgd kunnen worden.” Bij station Halfweg stapt wonderwel iedereen uit de coupé. Ze omhelzen elkaar.

Haar vader haalt een doosje uit zijn binnenzak en geeft haar de ring van zijn moeder, haar „Granny”, die een paar maanden daarvoor is overleden. Haar vader zegt: „Deze ring heb ik al die tijd bij me, in de hoop dat ik je tegenkom.”

Als ze het gehobbel van adres naar adres zat beginnen te worden, komt vader Friedhoff met een oplossing: via zijn neef, een arts, kan het jonge stel terecht bij een verzorgingstehuis aan de Mathenesserlaan in Rotterdam. Brandon kan er werken als dienstmeisje en Friedhoff krijgt de zolderkamer. Voor Brandon is het een bevrijding dat ze niemand meer tot last is, sterker nog, mensen tot hun dienst is.

Ze leert er een emmer vol piepers razendsnel schillen, abrikozentaart bakken, poetsen, de post sorteren, dweilen, melk inkopen voor alle bewoners, groenten schoonmaken en julienne snijden (in die periode, 1942, is er nog genoeg eten). Met een schort voor en een schuilnaam, Elsja, steekt ze iedere dag met plezier de handen uit de mouwen. „Ik vond het prachtig, het was alsof ik continu in een toneelstuk stond.”

Ze neemt haar rol serieus, speelt hem met overgave, elke dag opnieuw. „Ik had ontzettende sjans met de melkboer. We maakten pikante grapjes. Soms kreeg ik een extra ei van hem.”

Frisse lucht heeft ze die paar maanden aan de Mathenesserlaan nauwelijks. Heel sporadisch fietst zij ergens naartoe om geld voor haar en Herman op te halen; hij kan de straat absoluut niet op. Er circuleert een bericht met zijn naam erin. „Wij hadden gehoord dat hij in een politieblaadje stond. Op zijn hoofd stond de doodstraf. Daarbij kende iedereen het verhaal van die eerste 72 verzetsstrijders die zijn gefusilleerd, dus naar buiten gingen we niet.”

Het credo voor het leven in het verzorgingshuis is: vroeg naar bed en vroeg op. ‘Elsja’ werkt en Herman leest boeken en beluistert concerten op zijn grammofoonplaten. Via de dokter die daar aan huis komt geven ze berichten door aan de vader van Friedhoff.

Aan die tijd in het verzorgingstehuis komt een eind als het Joodse stel dat daar ook onderduikt, tegen alle afspraken in, naar buiten gaat en wordt aangehouden. Binnen afzienbare tijd zou hun schuiladres bekend zijn; voor die tijd moeten ze pleite gaan. Ze hebben geen zin om weer om de paar dagen in een ander bed te liggen en besluiten naar Engeland te gaan. Vanuit Londen, waar de regering en koningin Wilhelmina in ballingschap zitten, kunnen ze zich ten minste nuttig maken.

Herman weet een weg, de vluchtroute tot aan Frankrijk.

DE VLUCHT

Haar laatste onderduikadres voor hun vertrek uit Nederland is in Amsterdam bij de vrouw van Adriaan Viruly, piloot bij de KLM, later een bekend figuur omdat hij boeken schreef over zijn oorlogstijd. Vanuit zijn zolderkamer plannen ze hun vlucht.

Vroeg in de ochtend van 27 april 1943 staat het Carlton Hotel in brand nadat er een bommenwerper op is gevallen. Brandon herinnert zich de knal. Onderweg naar het station komen ze erlangs met de tram. „We waren vreselijk bang dat de treinen die dag niet zouden rijden en dat er flink gecontroleerd zou worden, maar dat was helemaal niet waar. De onrust in de stad werkte juist in ons voordeel; iedereen was bezig met het Carlton Hotel en wij liepen zo het perron op.” Ze heeft zoveel mogelijk kleding over elkaar aangetrokken, het mag er niet uitzien alsof ze op reis gaat.

Aan het begin van de oorlog had Friedhoff de vluchtroute zelf getest, onder andere voor de Joodse families die hij met zijn verzetsgroep wilde helpen. Een grenswacht, die het verzet steunde, loodste mensen die via Friedhoff kwamen de grens over van Nederland naar België.

Die man, marechaussee, ontmoeten zij nu in een kroeg in de buurt van Neerpelt. Hij is op de fiets en zegt: „Loop maar achter me aan.” Het drietal belandt in een bossige omgeving en daar wijst hij aan welk paadje ze moeten nemen. In de verte zien ze een grenspaaltje. „Daar liep je dan voorbij en dan was je in België, zo ging dat.”

In Brussel duikt ze onder bij mevrouw Van Gellicum. Van het verzet hadden ze een gehaakt boodschappentasje meegekregen, een soort visnet, met de boodschap: geef dit tasje aan haar, dan weet zij dat het goed is. „Het was daar alsof je uit de oorlog in een oase terechtkwam, want het leven ging gewoon door in België. Elke middag gingen we de stad in, theedrinken en een taartje eten. Goedgeklede dames waren daar ook overal.”

Bij mevrouw van Gellicum wordt er chique gedineerd, met Franse gerechten zoals kikkerbilletjes. „Na de lunch kreeg ik een vruchtje, bijvoorbeeld een peer, en die moest ik met mes en vork eten. Dat kan ik dus, maar dat heb ik daarna nooit meer gedaan.” Mevrouw Van Gellicum neemt haar ook mee naar het concours hippique.

Ze kijkt haar ogen uit. En vermaakt zich, terwijl Friedhoff al door is naar Frankrijk. Zij wacht op toestemming van MI9, de Britse militaire inlichtingendienst, door wie Friedhoff inmiddels wordt geholpen.

Veertien dagen later krijgt Brandon groen licht: Friedhoff overtuigt MI9 dat Brandon te veel weet en dat het te gevaarlijk is om haar in bezet gebied te laten. In haar eentje reist ze naar Wattrelos in Frankrijk; een ‘passeur’ (iemand die het gebied goed kende en in oorlogstijd tegen betaling mensen de grens over hielp) had haar de grensovergang aangewezen, die stak ze in haar uppie over.

In Frankrijk logeert ze wekenlang bij Paul en Angelique. „Er zaten meerdere mensen, ook Britse soldaten en vliegeniers. Het was een klein arbeidershuis, Herman en ik kregen het kleine kamertje en al die mannen sliepen op de zolder. We aten elke dag exact hetzelfde: aardappeltjes, koude rauwe ham en sla. Ik vond dat heerlijk, maar die mannen klaagden daar over, idioot vond ik dat.”

Angelique raadt haar aan om in Frankrijk haar sokjes omlaag te doen. In Nederland is het ‘in’ om sokken hoog op te trekken, maar in Frankrijk zou dat opvallen, leert ze.

De vrouw, die jaren daarvoor haar enige dochter heeft verloren, is intens blij dat er naast al die soldaten een meisje in huis is. „Bovendien sprak ze geen woord Engels, dus als die jongens weer eens buiten stonden te roken en keihard Engelse liedjes zongen terwijl ze dat verboden had, dan ging ik ze toespreken dat ze zich behoorlijk moesten gedragen.”

Van MI9 heeft Brandon het wachtwoord ‘Shakespeare’ meegekregen voor Spanje. Een paar dagen later vertrekken ze onder leiding van een Franse gids naar Parijs. Drie Engelse vliegers en een Belg, die ook ondergedoken zaten, reizen mee. Om het risico van arrestatie te verkleinen, reizen ze in paren: als één stel wordt gepakt kunnen de anderen nog vluchten. Hun valse Franse identiteitsbewijzen worden vluchtig gecontroleerd. Daarbij worden gelukkig geen vragen gesteld; Friedhoff is bang dat niet ieders Frans geloofwaardig is.

In Parijs stappen ze over op een sneltrein naar Bordeaux en vanaf daar op een boemel. De zone interdite begint: vanaf dat moment staan hun strenge controles te wachten. De coupés van de trein staan niet met elkaar in verbinding. Aan weerszijden is een deur naar buiten, maar die zijn gesloten als de trein rijdt. En dat geeft de nazi’s de tijd om tussen de stations uitgebreid de papieren van alle reizigers te bestuderen. Verdachte personen worden opgesloten in de achterste wagon; aan de grens in Hendaye zullen zij verder worden ondervraagd.

In Saubusse worden de Engelse piloten en de Belg betrapt. Brandon en Friedhoff zien hoe ze over het perron worden geleid. Als de trein weer rijdt, ziet Brandon in de verte een overvalauto aankomen, met een stuk of twintig soldaten. Ze wenkt Herman dat ze eruit moeten en de gids noemt het adres van een café in Saint-Jean-de-Luz.

In Saint-Vincent-de-Tyrosse stapt het stel snel uit de trein. Op een bord staat dat het 50 kilometer is naar Saint-Jean-de-Luz. Ze lopen uren en rusten af en toe uit in een berm.

Eén keer zelfs per ongeluk aan de rand van een vliegbasis van de Luftwaffe, oog in oog met een paar militairen. Als afleidingsmanoeuvre zoenen ze elkaar en lopen ze innig verstrengeld langs het hek. Het werkt: de soldaten zwaaien en klappen en maken schunnige gebaren. Brandon zwaait terug, waarna ze de hoek om lopen en uit het zicht verdwijnen.

Via het café komen ze achter het huisadres van hun gids en die brengt hen in contact met een Baskische passeur. Deze man, die hen naar Spanje zal leiden, had voor zes personen betaald gekregen, maar nu waren alleen zij twee nog over.

In het donker van de vroege ochtend lopen ze op hun espadrilles – het lokale schoeisel gekocht in het dorp – achter hem aan een paar kilometer over een smalle landweg. Daarna nemen ze een pad dat door de bergen naar boven kronkelt, steil omhoog en dan weer dalend, inmiddels al een paar uur in de zon. „We hadden al vele heuvels overgelopen en bij elke berg dacht ik: zijn we er nou?” In een dal in de verte zien ze een Duitse basis en honden. „We hebben zes à zeven uur gelopen, deels in het donker. Op een gegeven moment wees hij naar een watertje, dat was de grens, daar moesten we doorheen lopen.”

Als ze in de Pyreneeën weer boven op een berg staat, ziet ze in de verte de lichtjes van een stad in het dal. Het is Saint-Jean-de-Luz. „Dat was hét moment. Toen dacht ik: dit is vrijheid.”

ENGELAND

In het neutrale Spanje reizen ze in de zomer van ’43 met hulp van het Britse consulaat in San Sebastián door naar Madrid. Bij de ambassade daar werkt een „oom”, een ver familielid, van Brandon.

Jongemannen krijgen geld van de ambassade om een nieuw pak te kopen. „In plaats van dat ze een pak gingen kopen, gingen ze met z’n allen naar de kroeg, zuipen.” Als de ambassade een diner organiseert voor een groep gevluchte Nederlanders, wordt Brandon gevraagd een oogje op het zilver te houden. „Sommigen waren echt schorriemorrie, die stopten het tafelzilver zo in hun zak. De man van de ambassade zei: ‘Daar weet jij wel raad mee’. Dus dan stond ik daar gewoon te meppen.”

De oom helpt hen op weg naar Portugal. In Praia das Maçãs aan de kust logeren ze in een vakantieverblijf, samen met anderen, in afwachting van een plek op een vlucht naar Londen. Tien dagen later mag Friedhoff op een boot mee naar Gibraltar, zij moet wachten op een vliegtuig. Op 7 november 1943 komt hij per schip aan in Engeland.

In een geblindeerd KLM-toestel vliegt Brandon weken later naar Engeland. In Londen wordt ze dagen vastgehouden op de Patriotic School, waar gevluchte buitenlanders worden verhoord en getest op hun betrouwbaarheid.

En net als ze écht vrij is, vraagt Friedhoff haar ten huwelijk. „Hij nam me mee naar de flat die hij had gehuurd, maar die heb ik nooit van binnen gezien.” Brandon heeft het altijd leuk gehad met Friedhoff en is blij dat ze samen veilig in Londen zijn, maar ze wil niet met hem trouwen. Het is het einde van hun relatie.

Haar eerste dag op Oranjehaven, de club die koningin Wilhelmina had opgericht voor Engelandvaarders, zou zo een filmscène kunnen zijn. Als ze binnenkomt, staat er gelijk een jongeman achter haar, klaar om haar jas aan te nemen. Ze draait zich om en hij zegt: „Zo, wat komt dit kleine meisje hier doen?” Brandon antwoordt: „Dit kleine meisje mag hier zijn hoor! Ik ben ook Engelandvaarder.”

De jongeman blijkt Erik Hazelhoff Roelfzema te zijn, later bekend geworden als de Soldaat van Oranje. Als hij haar vraagt wat ze dan van plan was om nu te gaan doen, zegt ze: ‘terug naar Nederland, als spion’.

Hij duwt haar onmiddellijk een kamer in, zet haar op een bureau en haalt twee vrienden erbij. Samen met Chris Krediet en Peter Tazelaar vertelt hij haar over het Englandspiel en overtuigen zij haar dat ze niet naar Nederland moet gaan, omdat ze daar nooit meer levend vandaan zou komen.

In Londen kan ze aan de slag op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daar moet ze alle geboortes, huwelijken en overlijdens van Nederlanders in Engeland noteren in grote boeken met een stevige kaft. „Veel minder spannend dan ik had verwacht natuurlijk. Ik wilde bij het Engelse leger of naar Nederland als spion, maar beide mocht niet. Toen de regering iemand zocht die op het dak van het ministerie in de gaten zou houden of er gevechtsvliegtuigen aankwamen, heb ik mijn vinger opgestoken. Daar zat ik soms hele dagen. Als we dreigden gebombardeerd te worden, moest ik alarm slaan.”

Intussen broeit er iets tussen Hazelhoff Roelfzema en Brandon. „Ik had wat met Erik. Of Erik had wat met mij, het is maar hoe je het bekijkt. Haha, ach, ik vond hem heel spannend, eerlijk is eerlijk.” Toch duurt het niet langer dan twee maanden. „Er zou een pakje uit Amerika komen en hij vond het vervelend om dat op Oranjehaven te laten aankomen– Engelandvaarders gaven vaak Oranjehaven op voor hun post. Hij vroeg of hij mijn adres mocht opgeven. Prima, zei ik.”

Weken later zit er een enorme envelop in haar brievenbus. ‘Dear Miss Brandon’, staat er op een briefje. De rest komt hier op neer: ‘u heeft deze foto van uw fiancé gestuurd met een beschrijving van alle goede dingen die hij heeft gedaan in de oorlog, en u heeft gevraagd of wij hem willen interviewen en deze foto voor de voorpagina van TIME willen gebruiken. Wij danken u voor uw verhaal, maar we hebben besloten geen interview met uw verloofde te plaatsen en sturen u daarom de foto terug.’

„Achteraf zeg je misschien: dat was slim van hem, zo werkt pr, maar in mijn ogen – totaal gefocust op goed en eerlijk of slecht – was dit onacceptabel. Daarom heb ik hem de bons gegeven. Dat begreep hij niet, maar ik was niet van plan me te laten gebruiken voor dit soort praktijken.”

Op Oranjehaven wordt ze verliefd op Chris Krediet, „een andere Soldaat van Oranje”. Krediet, Hazelhoff Roelfzema en Peter Tazelaar vormen het trio dat vanuit Engeland in bezet Nederland aan land wordt gezet om zendapparatuur voor het verzet af te geven en belangrijke verzetsmensen mee terug te nemen naar Londen. Deze operatie, Contact Holland genaamd, werd later een iconische scène in de film en de musical Soldaat van Oranje.

Als Brandon en Krediet trouwen is hij jachtvlieger bij de Royal Air Force (RAF). „Je leert in de oorlog ook afscheid te nemen. Het was zo, die mannen moesten vechten, daar kon je niets aan veranderen. Je kon ze in de tussentijd, als ze terug waren, wel zo gelukkig mogelijk maken.”

Ze vindt het niet moeilijk dat Krediet onderdeel is van het leger, en misschien ook wel verantwoordelijk voor de dood van een ander. „In de oorlog geldt: een kop voor een kop. Ja, je wordt vrij hard. Als de noodzaak er was – het is nooit gebeurd – en ik had iemand moeten doodschieten, dan zou ik daar niet mee zitten. In oorlogstijd móét je kiezen en zwart-wit zijn, you can’t dwell in the grey area.” < <

    • Carlijn Vis