Waarom wil Wageningen dat we insecten eten?

Rupsen van de wilgenstippelmot in hun spinsels.
Rupsen van de wilgenstippelmot in hun spinsels. Foto ANP/VALERIE KUYPERS

Moeten we insecten gaan eten? Steeds meer kookschrijvers en restaurantjournalisten beweren dat insecten lekker zijn, nu ja: best lekker, in ieder geval: niet vies. Met een uitje erbij merk je er niets van. De landbouwuniversiteit in Wageningen voert verbeten campagne om de Hollander aan de meelworm en de zijderups te krijgen. Gezond en goed voor het milieu. Duurzaam.

En inmiddels zijn de kookauteurs en culiavonturiers er ook van doordrongen: het is achterlijk om niet vaker insecten op het menu te zetten, de hele wereld eet ze: Afrika, Azië, Australië, noem maar op. Alleen Europa en Amerika verdommen het. Terwijl er geen enkel geldig argument is om de diertjes te laten vliegen of kruipen.

Zó begeesterend zijn de Wageningers dat je de dag moet vrezen waarop ze ons aan kannibalisme of coprofagie willen brengen. Bekijk het rapport Edible insects: future prospects for food and feed security. De kleurenfoto’s, de volle schalen sprinkhanen, de blije gezichten! Het verslag werd in 2013 uitgebracht door de FAO in Rome, maar eigenlijk komt het uit Wageningen.

En wat waar is, is waar: je zou niet zomaar kunnen bedenken waarom we geen insecten zouden eten. Waarom eten we hier geen ratten, katten en vleermuizen? Waarom geen reigers en zilvermeeuwen? Mollen? Het moet wel Hollandse bekrompenheid zijn. Dat er hier van oudsher nooit voldoende eetbare insecten waren, zoals een enkeling laatst beweerde, is klinkklare onzin. Denk aan de eikenbossen met hun jaarlijkse processies van eikenprocessierupsen, denk aan de kardinaalsmutsen rijkelijk behangen met spinsels vol sappige kardinaalsmutsstippelmotrupsen en denk ook aan de wilgen met hun berstensvolle wilgenspinselmotspinsels. Wij hadden hier al smulbossen voor het woord bestond.

Verderop op de wereld worden insecten graag gegeten, ze voldoen met hun typische eiwitten en vetten uitstekend als vleesvervanger en de kweek van insectenvlees is minder belastend voor de aarde dan de teelt van vlees van warmbloedigen, dat is in het kort de strekking van het FAO-rapport. Omdat de wereldvraag naar eiwitten razendsnel toeneemt, maar het aardoppervlak niet, is er binnenkort geen ruimte voor alle benodigde koeien. Wie het rapport te dik vindt kan ook het Wikipedia-lemma ‘entomophagy’ lezen.

Dat het met de eiwitten, vetten en mineralen van de meeste insecten dik in orde is toont de FAO overtuigend aan. Er blijken zelfs vitaminen in de geleedpotigen te zitten. Dat een flink deel van het insect, namelijk het chitine van het zogenoemde exoskelet, helemaal niet verteert in het menselijk voedselkanaal is achteraf bezien helemaal geen bezwaar. We kunnen het chitine beschouwen als een soort ruwe vezels die net als al die andere ruwe vezels de darmen actief houden. Of zoiets.

Maar hoe milieuvriendelijk is de teelt van insectenvlees nu precies? Geloof het of niet, maar daarover is nog weinig bekend. In een stil hoekje van het FAO-rapport wordt toegegeven dat er maar één studie is waarin een zogenoemde ‘life cycle assessment’ is opgesteld voor een eetbaar insect. Het is een Wageningse studie aan meelwormen waarover in december 2012 werd gepubliceerd in PLOS ONE. Onderzoekers Oonincx en De Boer gebruikten de gegevens van een professionele meelwormenkweker in Deurne om een milieubalans op te stellen. Ze vergeleken de uitkomsten met die van de teelt van kip, koe en varken.

Het eerste dat opvalt is het formidabele energieverbruik van de meelwormenkweek. Omdat de wormen koudbloedig zijn moet er krachtig worden bijverwarmd om de groei erin te houden. Het argument dat de koudbloedigheid juist een voordeel was blijkt dus helemaal niet op te gaan. Ook moet de meelwormenstal flink worden geventileerd. Dat kost stroom.

Doorslaggevend voor de milieubelasting is de ‘voederconversie’, in het Engels aangeduid met ‘feed conversion ratio’ ofwel FCR. Die geeft aan hoeveel kilo voer er nodig is voor de productie van één kilogram vlees en deelt dus als het ware input door output, wat een normaal mens liever niet zou doen. Eénduidig is de FCR ook al niet, vaak wordt hij bepaald op basis van versgewicht, maar drooggewicht kan ook.

Rundvlees heeft een ongunstig hoge FCR die wel 8 of meer kan zijn, voor varkens ligt-ie al een stuk lager (3 à 4) en voor kippen zou hij onder de 2 liggen. De kip is heel milieuvriendelijk, er bestaan zelfs FCR’s van 1,7 en 1,4 (Wikipedia: feed conversion ratio) en daarmee vergeleken zou de FCR die voor de Deurnse meelwormen is berekend (2,2) een ongunstige indruk maken. Gelukkig vonden de Wageningers een Britse studie (Animal, 2011) die op grond van ‘a general indication’ van de ‘developed livestock industry’ in Engeland een kippen-FCR van 2,3 bepaalde.

Het betekent dat de voederconversie van meelworm niet beter is dan die van kip. Toch stelt het artikel in PLOS ONE dat voor een kilo kippenvlees wel twee keer zoveel landbouwoppervlak nodig is als voor een kilo meelworm. De verklaring komt van het voedsel dat de larven krijgen voorgeschoteld, dat bestaat voor meer dan de helft uit worteltjes, uit peentjes dus, en die drukken met hun hoge watergehalte onevenredig zwaar op de FCR. Zou je de FCR op basis van drooggewicht uitrekenen dan zakt-ie misschien wel tot 1,2. Onder die van de kip. Maar misschien niet vér genoeg onder die van de kip om dat hoge energieverbruik goed te maken? O, er moet nog veel worden uitgezocht.