Vlees en bloed vertedert (nog)

Het leven een reidans. Urland. William Kentridge. Van Gogh en Daubigny. Macbeth.

Doodgaan lukt nog wel. Maar sterfelijker worden we er niet op. Wie sterft, is op zijn Facebook-pagina bijvoorbeeld niet dood. Daar wordt hij gewoon weer jarig en krijgen zijn vrienden een oproep om hem te feliciteren. Vorige week gebeurde me dat, voor de verjaardag van de betreurde stripmagiër Peter Pontiac. Hij stierf op 20 januari en ik ben er nog niet aan gewend dat hij er niet meer is. En toch schrok ik niet van dit levensteken, ik voelde zelfs even de neiging om hem een berichtje te sturen. Het had gekund, als ik me had bediend van de ‘happy birthday Facebook-app’. Schakel die in en hij verstuurt blijde boodschapjes. En daar houdt hij niet mee op, of zender en ontvanger nou leven of niet. Belachelijk? Nog wel. Maar het is spekje voor het bekje van de kunst. En daarmee ook weer voor mij.

Zo is de voorstelling Explorer/Prometheus ontketend technisch baanbrekend, met acteurs in live-action suits, van die interactieve pakken waarmee Hollywood Gollum liet leven in Lord of the Rings. Inhoudelijk overdondert hij ook. ‘B.C.’ betekent voor Urland niet ‘before Christ’ maar ‘before Computer’, met 1994 als het jaar nul, want toen bekeerde de wereld zich tot internet. De mens erkent internet hier als universum. Hij versmelt met zijn avatar en belandt, boldly gone where no man has gone before, in het grote niets van de onsterfelijkheid. Bij Urland evolueren de mensen tot denkende sterrenbeelden. Prachtig om te zien, en toch legt de virtuele wereld het af: door het filmscherm met avatars heen, blijven we de acteurs zien. De mens blijft nodig, in zijn sterfelijke vorm van vertederend vlees en bloed.

Ik herken het ook in het nieuwe werk van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge: More Sweetly Play the Dance, zo maar te zien bij EYE, Amsterdams eigen filminstituut aan het IJ. Over een reeks schermen komt een dansende stoet silhouetten op me af, ze voeren de dans van het leven uit, op niet te stuiten muziek. De hekkesluiter van de menselijke levensweg is de dood, ze balanceert op spitzen en heft in triomf een geweer boven haar hoofd. Er is grimmigheid en ziekte en geweld en toch is deze video-installatie ontegenzeggelijk welgemoed. De mens is op pad, suggereert Kentridge, onze levensweg is onze bestaansgrond.

In museum Kröller-Müller zie ik twee keer groene halmen. De ene vracht groen werd geschilderd door Charles Daubigny en de andere, hij hangt een zaal verder, door Vincent van Gogh. Daubigny goochelt als een brutale god met jong koren onder een zomerwolkenhemel. De 35 jaar jongere Van Gogh liet zelfs die hemel voor wat hij is. Hij overweldigt zijn doek van boven naar onder, van links naar rechts, met halmen en veldbloemen in onverbiddelijke halen.

Beide schilderijen hebben geen focus. Ze weigeren aan te wijzen waar ik naar moet kijken, er vliegt nog geen vogel. Er is geen drama, er gebeurt niks anders dan dat de schilder kijkt. Ze gaan over schilderkunst, hoor je bij dit soort doeken wel zeggen, en dat zal best. Maar er is meer, veel meer. Want ik ruik warm gras. En er zoemen insecten.

De schilderijen hangen op de zomeropstelling Van Gogh & Co, waar Kröller-Müller zijn Van Gogh-collectie voor de gelegenheid combineert met werk van tijdgenoten die hij hoog had zitten. Het effect is een nieuwe blik – dat hele grasschilderij was me eerder nooit opgevallen, en ik zie meer onvermoeds, zoals de neus van dat witte koetspaard in het verdwijnpunt van het overbekende Caféterras bij nacht (1888).

Ik loop verder de zalen door. Maar telkens ga ik even terug. Dan check ik het kleine rood van Daubigny’s twee klaprozen. Of ik verbaas me opnieuw over die ene paardebloemenpluizenbol bij Van Gogh.

Na Kröller-Müller wandel ik op de Hoge Veluwe. Een stuk of wat dennen lijken op een rij de vlakte over te steken. Een rei schimmen, à la Kentridge. Nee, de troep opmarcherende bomen uit Shakespeares Macbeth. Thuis zoek ik de bijbehorende passage op: Life’s but a walking shadow, a poor player, die strompelt en struikelt over het toneel.

Die wandelende schaduwen zag ik bij Urland en Kentridge. Maar het vervolg van de Macbeth-passage zit bij Daubigny en Van Gogh. Zij schilderden met hun halmen het verhaal van het leven, a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing. Groeien is bloeien is afsterven. Het leven leidt tot niks. Desondanks is het full of sound and fury. En dat is genoeg. Precies dat is zo mooi.