Pak je tas. Dit wordt een groot verhaal

Na de aardbeving in Nepal reisde Joeri Boom naar Kathmandu, waar hij verslag deed van de gebeurtenissen. Nu blikt hij terug. „Ik schrik wakker van rumoer. Chaos om me heen.” Notitieblok van een correspondent.

Foto Niranjan Shrestha / AP

Zaterdag

Hier is iets mis. Ik fiets op mijn mountainbike door New Delhi, waar ik woon. Ik wil rechtdoor, maar de grond gaat rechtsaf, dan linksaf, dan weer rechtsaf. Als ik besef dat dit een aardbeving is, is de schok al voorbij. Mensen staan stil op straat, kijken om zich heen. Geen paniek. Dit was geen zware. Het is de derde die ik in India meemaak. Terwijl ik nog fiets belt Raghu, mijn Indiase collega, met wie ik veel verhalen maak. Zijn stem is een octaaf hoger dan normaal. Bij hem, in het verre noorden van de stad ging het er heftiger aan toe. „Het huis stond te schudden, we staan met het gezin op straat. Het epicentrum was in Nepal. Pak je tas, dit wordt een groot verhaal.”

Een uur later zijn de tickets geboekt. Mijn cameraman Ravi Lekhi en ik vliegen zondagochtend naar Kathmandu. We hebben geen idee of het vliegveld open is. Het dodental stijgt snel, en Nepal is een van de armste landen van Azië. Zijn de armoedige huisjes op het platteland nu juist een voordeel of een nadeel tijdens zo’n beving, vraag ik me af.

Zondag

We hebben vijftien uur gedaan over een reis die normaal gesproken nog geen twee uur in beslag neemt. Toen we vlakbij Kathmandu waren, moesten we terug wegens een serie zware naschokken. Nu zijn we geland. Het is negen uur ’s avonds.

Het is een chaos op het vliegveld. Honderden mensen wachten op een mogelijkheid het land te verlaten. Het tafereel dat ik buiten het vliegveld aantref, zal ik niet snel vergeten. Het is pikkedonker. In de hele stad is de elektriciteit uitgevallen. Er is geen verkeer. Als de weg waarlangs we lopen omhooggaat, zie ik een brand, ergens ver weg in een lager gelegen deel van de stad.

Wat me de rillingen bezorgt is het gefluister. Overal groepjes mensen. Zittend, staand. Sommigen hebben van plastic geïmproviseerde tentjes gemaakt. Ze zijn bang om hun huizen binnen te gaan. „In mijn straat is een huis omgevallen. Wij wonen op de vijfde verdieping van net zo’n appartementencomplex”, fluistert een jongen die goed Engels spreekt. Hij is gids in Nepals bloeiende toeristenindustrie. Niemand spreekt hardop. Alsof ze de aarde niet boos willen maken, zodat ze opnieuw brult, schokt en openscheurt.

De NOS heeft een hotel voor ons geboekt vlakbij het vliegveld. Het rijst groot en donker op. Het is dicht, en was het dat niet,dan hadden we er absoluut niet willen slapen. Je voelt haast dat dit gebouw geen stevige naschok meer kan hebben.

We vinden een klein hotel waar licht brandt in de lobby. Die ligt vol met slapende mensen. De gasten hebben hun matrassen naar beneden gesleept. Alleen bij de glazen pui is nog plek. Daar wil niemand liggen, want die gaat er geheid aan bij een hevige naschok. Ravi en ik slapen knikkebollend op stoelen, kleren en schoenen aan.

Ik schrik wakker van rumoer. Chaos om me heen. Hotelgasten rennen de lobby uit. Ik grijp de kleine tas met mijn laptop en opname-apparatuur. Ik zie Ravi struikelen terwijl hij de uitgang probeert te bereiken, de tas met onze camera boven zijn hoofd. Ik heb de naschok niet gevoeld, maar ik sta wel buiten. Paniek om me heen. Iedereen in deze lobby heeft de eerste beving van 7,9 op de schaal van Richter meegemaakt. Ze zijn doodsbang.

Maandag

Merkwaardig. Er is weer verkeer op straat. Brommertjes, taxi’s. Er gaan winkeltjes open. In een straatstalletje naast het hotel haal ik supersterke chai – thee met melk en een scherpe massala (kruidenmengsel).

Hilversum belt zo’n beetje om het uur, de Belgische radio hangt aan de lijn. Vanavond per telefoon in de tv-journaals van 6 en 8 uur. Ravi en ik trekken de stad in. Op het Durbar-plein vinden we de historische Dharahara-toren in stukken. Mensen staan elkaar te fotograferen in de brokstukken, terwijl er een weeïge lijkenlucht hangt. Het leger heeft hier doden geruimd, maar mijn neus vertelt me dat er nog verscheidene liggen.

’s Middags trekken we de wijk in bij het nieuwe busstation. We hebben gehoord dat er verschillende reddingsteams aan het werk zijn. Journalisten drommen samen bij een Chinees team dat zes mensen levend uit het puin probeert te halen.

Maar voor mij ligt het echte verhaal elders: bij de dramatische keuzes die de Nepalese en internationale teams moeten maken. Een straat verwijderd van het Chinese team ontmoet ik Sumi. Ze staat bij een berg puin waarop een gebouw van drie verdiepingen is scheefgezakt. „Dat puin is alles wat van de onderste drie etages over is”, zegt ze. „Er liggen nog 12 hotelgasten onder. En mijn oom die achter de receptiebalie stond. Hij leeft, ik heb hem horen kreunen.”

Maar niemand komt haar helpen. De reddingsteams kiezen ervoor op plaatsen te werken waar ze meerdere overlevenden verwachten. Sumi kijkt helder uit haar ogen als ze praat. Soms klinkt ze haast enthousiast. Haar vader is verdoofd door de schok. Hij praat lijzig, alsof hij bijna in slaap valt.

De hele dag door voelen we naschokken. Ik krijg er slappe benen van. Ik neem een beslissing: ik slaap niet meer in de lobby. We kunnen een kamer krijgen op de eerste verdieping, aan de kant van het hotel dat geen scheuren vertoont. Ik doe zoals ik tijdens mijn oorlogsverslagen deed. ’s Nachts negeer ik de ellende en het gevaar. Ik ga liggen, sluit mijn ogen en slaap door drie naschokken heen.

Dinsdag

Frustratie. Er is nauwelijks internet te vinden. Ik krijg mijn reportage niet opgestuurd naar Hilversum. Ik knip hem in kleine brokjes en weet aan het einde van de dag een paar citaten van Sumi erdoor te krijgen. Ik kan niet meer bijhouden hoeveel radioverslagen ik heb gedaan. ’s Avonds via een straalverbinding live in Journaals van 6 en 8 uur. Maar ik moet buiten zijn, ik wil op pad.

Op een moment dat het eigenlijk niet kan – vlak voor een live tv-verslag – ga ik naar een geïmproviseerd tentenkamp in een park. Het stinkt er, de mensen hebben geen toiletten. Ze zijn boos. Waar is onze overheid, vragen ze zich af. Geen water geen voedsel. Ze eten pakken koekjes die ze in straatstalletjes kopen en drinken vervuild water nadat ze het gekookt hebben. „Epidemic, epidemic”, zegt een oude man zwaaiend met zijn wijsvinger. Angst en boosheid – een explosieve combinatie.

’s Avonds arriveert Nanda Millenaar, een NOS-collega die me gaat bijstaan in het monteren van tv-verhalen. Er zijn nog vier collega’s onderweg. Dit wordt een grote journalistieke operatie - intussen schiet het dodental door de vierduizend.

Woensdag

Eindelijk mijn handen vrij. Ik hoef geen radioreportages te maken, hotelkamers, taxi’s, verbindingen en andere zaken te regelen. We moeten Kathmandu uit. Het begint steeds duidelijker te worden dat in de stad de minste slachtoffers zijn gevallen. De huizen hier in Kathmandu zijn relatief stevig.

Nanda, Ravi en ik weten moeiteloos het dorp Sankhu te bereiken, op tien kilometer buiten de stad. Het is een ravage. De huisjes zijn er oud en armoedig, maar tellen wel meerdere verdiepingen: het bleken doodskisten. Wie binnen was tijdens de beving is gestikt onder een berg van puin en stof.

We vinden een vrouw en haar zoon die hun hele familie kwijt zijn. Onder het puin van hun huis stierven de vader, een tante en drie nichtjes. Het lichaam van een van de meisjes, 8 jaar, maar twee jaar ouder dan mijn oudste dochter, ligt nog onder het puin. Het stinkt er naar de dood. Nanda, Ravi en ik werken verwoed door. We hebben weinig tijd. We zoeken een goed shot voor het interview met de moeder en haar zoon, met het ingestorte dorp op de achtergrond. We klimmen op een berg puin, moeder en zoon voorop, op hun slippers. Opeens besef ik dat we op de puinhopen van hun eigen huis staan.

Ik zeg het tegen Ravi. ‘We need the shot, man’, zegt hij met treurige ogen. „Luister: het enige wat wij kunnen doen is hun verhaal naar buiten brengen zodat er misschien meer hulp komt hier.” In het dorp is nog geen hulpverlener geweest. „Draaien”, zeg ik.

Vrijdag

Hoe zit het toch met die hulp? De Nepalezen raken steeds geagiteerder. „Het leger doet niets voor ons. Ze trekken de doden uit onze puinhopen, maar ze brengen niets voor ons mee. Geen water, geen voedsel”, zegt een vrouw in een tentenkamp . „Ik ben heel erg boos!” Ze schreeuwt. Een zeldzaamheid in Zuid-Azië.

Ze heeft vanmorgen eindelijk een tent gekregen. Een blauwe, een gift van China. Maar haar eigen overheid laat haar in de steek. Ik hoor het aan, en het raakt me. Deze aardbeving was min of meer voorspeld. Wetenschappers roepen al jaren dat Nepal gevaar loopt wegens dezelfde tektonische platen die de Himalaya, zijn toeristenbron, hebben gevormd. Het World Food Program van de VN heeft om die reden nog in maart een terrein bij het vliegveld ingericht om noodhulp op te slaan. Het wordt nu volop gebruikt. Ook het falen van de overheid was voorspeld. Om die reden heeft India een noodplan opgesteld om de gevolgen van een grote aardbeving in Nepal te lijf te gaan. Het land zelf nam geen maatregelen. De Nepalese reddingsteams bestaan uit jonge jongens in oranje hesjes en militairen die ruw en onvoorzichtig puin ruimen. De internationale teams hebben speurhonden mee, satellietschotels en geavanceerde kijk- en luisterapparatuur.

Wat kan ik de vrouw zeggen? Dat het er dik in zat dat haar overheid haar zou negeren? Nepal is een falende democratie. Verscheurd door een jarenlange burgeroorlog van Maoïstische groepen tegen de monarchie die Nepal tot 2008 was. Nu is het land een democratie, maar al jaren wordt gesteggeld over een grondwet.

Mijn collega’s komen terug met een reportage die me de haren te berge doet rijzen. Een man rent achter een groep militairen aan in een verwoest dorp. „Help me, help me, gisteren gilde hij nog, maar jullie hebben niets gedaan om hem uit het puin te krijgen!”

De sfeer begint hier om te slaan.