Ik zoek al vallend tot ik iets vind

Cabaretier Herman Finkers, die lijdt aan leukemie, heeft een nieuwe cd in het Twents en houdt de oudejaarsconference. Erg politiek zal die niet zijn. „Almelose humor is vooral zelfspot.”

Tekst Coen Verbraak Foto’s Merlijn Doomernik

Herman Finkers. „De norm ligt in Twente buiten onszelf. Als wij iets anders doen dan het in het Westen gedaan wordt, dan doen wíj het voor ons gevoel fout.”
Herman Finkers. „De norm ligt in Twente buiten onszelf. Als wij iets anders doen dan het in het Westen gedaan wordt, dan doen wíj het voor ons gevoel fout.”

Laatst was Herman Finkers in het De la Mar-theater, om met zijn vrouw Hetty een voorstelling te bezoeken. Vooraf gingen ze een hapje eten. De jonge serveerster hoorde zijn Twentse tongval en vroeg allervriendelijkst of meneer weleens eerder in het theater was geweest. „Ze dacht vast: voor die boeren is het ongetwijfeld een hele belevenis.” Hij had natuurlijk kunnen zeggen dat ze even de trap op moest lopen, waar zijn foto in de eregalerij hangt. Maar Finkers moest er vooral om glimlachen. „We kregen later wel een toetje van het huis aangeboden van een oudere serveerster.”

Herman Finkers is terug. Zijn laatste programma Na de pauze dateert alweer van zes jaar geleden. Maar dit jaar gaat hij de Oudejaarsconference verzorgen. En er is een nieuwe cd: Koo wit de Floo in Almelo, met twaalf liedjes, grotendeels in het Twents.

In 1985 zette Finkers zijn geboortestad Almelo voor altijd op de kaart met: „Eén stoplicht springt op rood, een ander weer op groen… in Almelo is altijd wat te doen.” Almeloërs zelf vonden het een leuke grap. „Die herkenden zichzelf erin. Almelose humor is vooral zelfspot.” Maar veel Almelose bestuurders waren er niet blij mee. „Logisch, want die komen niet uit Almelo, die komen meestal van buiten.”

De gemeente gooide er jarenlang veel geld tegenaan om met andere leuzen dat stoplicht van Finkers te laten doven. Met weinig succes overigens. „Rond de Millenniumwisseling hingen er in de stad overal affiches: ‘Almelo is klaar voor de 20ste eeuw’. Terwijl we naar de 21ste eeuw gingen. Ze gaven dus aan dat ze honderd jaar achterliepen.” In diezelfde tijd, eind 1999, werd Finkers door een tijdschrift gevraagd om terug te blikken op de jaren negentig. Moet je net hém hebben. „De jaren negentig?”, zei Finkers. „Ik ben er helemaal klaar voor!”

Inmiddels hebben ook de Almelose bestuurders zijn stoplicht liefdevol omarmd; de officiële leus voor Almelo luidt nu: ‘Altijd wat te doen’. Als reactie daarop beloofde Finkers een mooi loflied op Almelo te schrijven, zonder ironie of dubbele bodem. Voor hij het wist had hij een hele cd bij elkaar. Bijna vanzelf werd de voertaal Twents. „Als ik mijn vader of mijn oom citeer dan moet dat namelijk in het Twents.”

Nedersaksisch

Koo wit de Floo in Almelo is een fraaie ode geworden aan zijn geboortestad. In feite is het méér dan dat. Het is een statement voor het behoud van het Twents. Eigenlijk zou er een leerstoel Nedersaksisch moeten komen, vindt Finkers. Want zijn moerstaal staat onder grote druk. „Naast het Nederlands heb je drie erkende streektalen: het Fries, het Limburgs en het Nedersaksisch (Gronings, Drents en Twents). Het Fries en het Limburgs redden zich prima, maar in Nedersaksen gaat het keihard achteruit met de taal. Ouders geven het Twents, Drents of Gronings niet door aan hun kinderen, omdat ze denken dat dat niet goed is voor hun Nederlands. Een gigantische misvatting die je er maar niet uit krijgt. De cultuur van een streek ligt het meest verankerd in de taal. De humor van Monty Python ligt besloten in dat Engels. Een goede Sam en Moos-grap moet je in het Amsterdams horen, of liever nog in het Jiddisch. Maar in het Nedersaksisch ligt een cultureel zelfmoord-gen besloten, een chronisch minderwaardigheidsgevoel. De norm ligt in Twente buiten onszelf. Als wij iets anders doen dan het in het Westen gedaan wordt, dan doen wíj het voor ons gevoel fout. Er is onlangs een blad uitgekomen waarin Overijsselse schrijvers verhalen schrijven in dialect voor Overijsselse dialectlezers. Dat blad heet Van over de IJssel. Dan zou je denken: van over de IJssel? Dan bedoelen ze zeker Amsterdam. Maar nee, ze bedoelen zichzelf! Dus je kijkt vanuit Holland naar Overijssel. Ik zei nog: ‘Waarom noemen jullie het niet: Van achter Bentheim?’ Oh ja, zo kon je het ook bekiek’n…”

Op de cd-hoes staat een foto van Finkers, als klein ventje van hooguit vier, dat naar de knoppen van de distributieradio reikt. „Siek hemm”, staat eronder: „Ik wil muziek horen.” Hij was de oudste van vijf kinderen. Een dromerig mannetje, dat het liefst de hele dag binnen zat te lezen. Zijn ouders maakten zich daar soms zorgen om. „‘Herman, ga ’ns buiten spelen. Da’s goed voor je.’” Ging hij met een boekje naar buiten. Dat hij ongeschikt was om de meubelzaak van zijn vader over te nemen stond voor hem na een weekje vakantiewerk wel vast. Maar ja… wat dan wel? Schrijver? Of toch fietsenmaker?

Kleuterleider

Ook later als student psychologie in Groningen had hij nog geen idee van wat hij wilde doen. „Het enige wat ik hoopte was dat ik iets zou vinden waarin ik een functie zou kunnen vervullen. Ik werd voortdurend gekweld door de vraag: waartoe ben ik op aarde? Ik had werkelijk geen idéé. Ik voelde me altijd schuldig. Het was zo’n enorme vergissing dat ik hier was. In bijna alles wat ik kon bedenken – onderwijzer, muzikant – vond ik anderen beter.” Bovendien bleek hij in zijn gedachtegang nogal afwijkend van anderen te zijn. Dat leidde bij zijn tijdelijke baan als kleuterleider zelfs tot regelrechte verwarring. Op een dag werd hij gealarmeerd door een collega: „‘Herman, ze staan in elkaars drinkbekertje te plassen. Je moet onmiddellijk ingrijpen.’” Dat deed Finkers. Hij sprak de kleuters streng toe: „Jongens, allemaal in je éigen bekertje plassen!”. En hij zág ze denken: „Wat een rare menéér!”

Maar alles veranderde toen hij een keer op een verjaardag gedichten voorlas. Tot zijn stomme verrassing begon iedereen te lachen. „Ze bleken alles wat ik zei erg grappig te vinden.” Al had hij toen niet kunnen denken dat hij van dergelijke gedachtenkronkels ooit zijn beroep zou kunnen maken. „Op de Kleinkunstacademie zou ik onmiddellijk afgewezen zijn. Nog steeds. Omdat er heel veel is wat ik niet kan. Ik ben geen echte vakman. Ik zoek al struikelend en vallend, net zolang totdat ik iets vind. Puur intuïtief. Als je Willem Wilmink [dichter en goede vriend, red.] een thema opgaf, dan had-ie daar morgen een tekst over. Dat is vakmanschap. Bij mij is het altijd maar afwachten. Het kan alle kanten op. Ik ga een lied over Almelo maken en ineens heb ik een cd.”

Dichte oren

Hij had met Koo wit de Floo willen gaan touren, maar zijn gezondheid verhinderde dat. Finkers lijdt sinds dertien jaar aan Chronische Lymfatische Leukemie. Toen de ziekte in 2002 werd gediagnosticeerd luidde de prognose: ‘tienjaars-overleving vijftig procent, vijftienjaars-overleving nul procent’. Maar door de komst van nieuwe medicijnen gaat het relatief goed met hem. Al blijft hij extreem vatbaar voor infecties en virussen, omdat zijn weerstand als gevolg van zijn ziekte laag is.

Zo kampt hij al maandenlang met dichte oren en ontstoken slijmvliezen. Het begon op 8 december vorig jaar, één dag voor zijn zestigste verjaardag. Hij fietste heel even in de regen. De volgende dag had hij koorts en kreeg hij allerlei ontstekingen in zijn hoofd. „Sinds mijn verjaardag heb ik nog geen goede dag meegemaakt. Ze sluiten niet uit dat ik misschien toch tachtig word. Nou, zo voel ik me dus al.”

Achteraf zaten zijn oren al dicht tijdens de geluidsmix van zijn cd, al had hij dat toen nog niet in de gaten. Hij hoorde voortdurend te veel laag, en te weinig tamboerijn en hoge tonen. Maar die tamboerijn stond echt al heel hard, zei Daniel Lohues, met wie hij de cd opnam. En er wás al heel veel laag uitgedraaid. Ja, maar dat was nou eenmaal zijn smaak, zei Finkers. Al begon hij uiteindelijk toch te twijfelen. „Ik ben thuis een plaat gaan draaien die ik altijd erg mooi vond klinken. Abbey Road van de Beatles. Die klonk opeens ook helemaal niet goed.” Inmiddels beginnen zijn oren heel langzaam weer open te gaan. „Maar ik heb mijn eigen cd eigenlijk nog steeds niet goed gehoord.”

Dat hij dit jaar de Oudejaarsconference gaat doen hangt direct met zijn gezondheid samen. Het was geen hartenwens van hem, zo eerlijk moet hij zijn. „Maar inmiddels heb ik er bijzonder veel zin in.” Het was zijn vrouw die hem op de voordelen wees. „Mijn werk is: een programma maken en daar één of twee seizoenen mee rondreizen langs schouwburgen. Maar de periodes waarin ik me goed voel, duren steeds korter. In 2009 moest ik binnen een half jaar 46 voorstellingen van Na de pauze afzeggen. Die kun je nooit meer allemaal inhalen. Hetty zei: ‘Waarom doe je geen Oudejaar? Dat is maar één uur op tv. Je doet een paar voorstellingen om ’m uit te proberen en vervolgens neem je ’m op wanneer je je goed voelt.’ Zo ga ik het ook doen. Daarom kan ik nu nog niet zeggen waar en wanneer ik ’m ga spelen.”

Het wordt in elk geval zeker geen klassieke conference met vooral commentaar op de actualiteit. Hij volgt de ontwikkelingen in de wereld, maar ook weer niet obsessief. Nieuws is voor Finkers vaak een bron van ergernis. „Dat neoliberalisme vind ik verschrikkelijk. Alles wordt uitgedrukt in opbrengst en rendement. Ik zie het zelf in mijn situatie als patiënt. Er is nu een nieuw medicijn, dat goed schijnt te werken, maar dat wel 70.000 dollar per jaar kost. Men wil nu gaan verbieden dat het voorgeschreven wordt, vanwege die hoge prijs. Terwijl die prijs kunstmatig hoog gehouden wordt. Gezondheid wordt gezien als middel om winst te maken. Terwijl medicijnen er toch zijn om patiënten beter te maken, en niet de aandeelhouders. Iemand als Edith Schippers laat zich adviseren door mensen die zelf geen arts zijn. Want als je alles weet van kankerbestrijding ben je maar lastig. Bij Els Borst was dat totaal anders. Die was zelf arts. Maar neoliberalen vinden het kennelijk een pré als je over iets gaat terwijl je er nauwelijks iets vanaf weet. Halbe Zijlstra zegt dat hij niks met kunst heeft. Prima, dan laat je hem toch cultuur doen? Ik weet van allerlei dingen niet veel af, dus ik zou eigenlijk heel geschikt zijn voor dit kabinet.”

Er is niet eens zoveel veranderd sinds Finkers weet dat zijn toekomstperspectief toch verder kan reiken dan tien, vijftien jaar. Hij is zijn leven lang al bezig geweest met de eindigheid der dingen, ook in zijn programma’s. „Ik heb het nooit vanzelfsprekend gevonden dat je iedere ochtend weer wakker wordt.” Maar pas in Na de pauze lukte het om van de dood echt een thema te maken. Terwijl er genoeg te lachen bleef. „Ik vind Het Slechtnieuwsgesprek (waarin hij van de dokter hoort dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker heeft) een van de meest komische dingen die ik ooit gemaakt heb. Dat ik na afloop op de gang een oude man hoor zeggen: ‘Oud worden is niet makkelijk’ en ik zeg: ‘Ja, dat heb ik net gehóórd.’”

Belgische biertjes

Dat het lukte om zware onderwerpen als ziekte en dood tot thema te verheffen kwam vooral, denkt hij nu, omdat hij in 2000 stopte met theater en daarna zeven jaar de tijd had om na te denken over wat hij werkelijk wilde zeggen. Het was Willem Wilmink die er al lang bij Finkers op had aangedrongen om in zijn programma’s meer van zichzelf te laten zien. „Toen Willem hoorde dat ik stopte stond hij de volgende dag voor de deur, met een schoolschrift. ‘Hier moet je vanaf nu elke dag iets in schrijven. Maakt niet uit wat. Gewoon alles wat je te binnen schiet. Eens in de paar maanden kom je bij mij met dat schrift. Dan gaan we Belgische biertjes drinken en erover praten.’”

Dat hebben ze eigenlijk maar weinig gedaan. Nou ja, biertjes drinken wél. „Maar verder gingen die gesprekken vooral over geloof en over de Middeleeuwen.”

Wilmink overleed in 2003. Toen zijn weduwe Wobke in 2008 vanuit Enschede verhuisde naar Almere wilde ze dat haar man niet aandoen. Ze vroeg of de urn met een deel van zijn as mocht achterblijven in Twente, in de tuin van Finkers. Daar hoefde hij niet over na te denken. „Ik vond het een heel mooi idee.” Nu rust de as van de dichter onder een Bentheimer steen, met inscriptie. ‘Ik ga slapen, ik wil dromen dat ik droom. Willem Wilmink – Aswoensdag 2008.’ Want ja, het was ook nog ’ns precies Aswoensdag toen ze zijn urn ter aarde bestelden.

Binnenin het Sint Nicolaasbeeld dat op de steen staat, is Wilminks laatste pakje North State verstopt, dat ze in de lade van zijn bureau vonden, inclusief de laatste niet opgerookte sigaret. „Ik vind het een heel mooie gedachte dat een deel van hem hier nog is.” En treurig maakt het hem al helemaal niet. „Willem komt nog vaak in mijn leven voorbij. Op Koo wit de Floo in Almelo staat ook een tekst van hem, een ode aan Almelo, via Enschede. Ik denk dat hij het een goede plaat had gevonden. Hij zou het vast mooi gevonden hebben dat ik op mijn zestigste weer ben uitgekomen bij de taal en de stad van mijn jeugd.”