Het ergste was dat je in de zon moest staan, de hele dag

De Japanners die Indië bezetten, zetten de Nederlanders gevangen. Ans Speulstra zat als kind in een jappenkamp. „We werden in loeihete geblindeerde veewagons gepropt. Baby’s en kinderen plasten over je heen.”

Tekst Jannetje Koelewijn Fotografie Frank Ruiter

In haar vroegste herinnering ziet Ans Speulstra (88) een „prachtig groot huis” voor zich, en een dierentuin waar ze met de baboe naartoe wandelde, haar jongste zusje lag nog in de kinderwagen. „Alles was licht en mooi.”

Dat huis stond aan de Darmo Boulevard in Soerabaja. Twee straten verderop woonde haar beste vriendinnetje, Laura. „Ze was enig kind, dus ze speelde altijd bij ons.” Samen liepen ze naar de School met den Bijbel, later naar de meisjes-hbs.

Toen brak de oorlog uit. Pearl Harbor werd gebombardeerd, de Japanners bezetten Indië, Nederlanders werden gevangen genomen. „We konden eerst nog wel in ons huis blijven wonen, maar er kwam overal prikkeldraad en de Darmo Boulevard werd het Darmo-interneringskamp. Op een avond kwamen de Jappen met een grote vrachtwagen de straat in rijden. Opeens stonden er een paar bij ons in de huiskamer. Boem, mijn vader moest mee.” Het zou de laatste keer zijn dat ze hem zag.

Ze zit aan tafel bij het raam van haar Haagse appartement en bladert in een nummer van het tijdschrift Aanspraak, voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Er staat een interview in met een vrouw die over haar herinneringen aan het jappenkamp vertelt. Ans Speulstra heeft er in priegelletters haar eigen verhaal doorheen geschreven.

Ze leest voor: „Op 28 februari 1944 moesten we ons klaarmaken voor transport. We werden op open trucks geladen en naar het station gereden. We werden in loeihete geblindeerde veewagons gepropt. Baby’s en kinderen plasten over je heen en huilden onophoudelijk.”

Ze knikt, zo was het. Die andere vrouw kwam in Halmaheira terecht, zij ging met haar moeder, haar drie jongere zusjes en haar broertje naar Tjideng.

Blauwe pap

Ze valt stil en vertelt pas weer verder als haar dochter, tegenover haar aan tafel, zegt dat oom Bert nog zo klein was dat hij mee mocht naar het vrouwenkamp.

„Ja”, zegt ze. „Maar toen hij 12 was, moest hij eruit. Toen is hij naar mijn vader in het mannenkamp gegaan.”

Ze vertelt over de blauwe sagopap die ze te eten kregen, „behanglijm”, en over de moeite die het kostte om aan water te komen. „De Jappen sloten de waterpunten om negen uur ’s morgen af, om ons te pesten. En o ja” – ze kijkt in het tijdschrift – „op een dag kwamen er auto’s met Japanse officieren het terrein op rijden. Die officieren gingen aan lange tafels zitten en alle vrouwen en meisjes moesten er langslopen. Er werd gezegd dat ze serveersters zochten, maar dat was niet zo, die vrouwen werden geronseld voor de bordelen. Dat waren eh... eh... troostmeisjes.”

Ze is weer stil, tot haar dochter zegt: „Vertel eens over tante Fietje, liefje.”

„Ja”, zegt ze. „Fietje. Het is zo dat de Japanner vrij klein is, en ze willen niet dat jij groter bent, dus ze hadden het liefst meisjes van een jaar of 14, 15. En Fietje was klein. Ze had krullend haar en ze was heel leuk om te zien, dus ik schrok me dood, ik dacht: o jee, daar gaan we. Toen heb ik met zinkolie allemaal witte stippen in haar gezicht gezet, hier en daar en daar, en ik heb er een beetje poeier overheen gedaan, en toen ze haar zagen – nou, ze deden gelijk een mondkap voor, Fietje hoefden ze niet.”

Groene zeep op onze buik

Ze lacht, triomfantelijk. „Er waren van die gekke dingen”, zegt ze dan. „Dingen die je eigenlijk niet durft te zeggen omdat je ze nu niet meer begrijpt. Toen de Jappen er net waren, pakten ze ook de meisjes, die werden verkracht en zo, en mijn nichtje Jopie en ik zaten daar gewoon over te giechelen. We zeiden: even groene zeep over onze buik smeren, dan glijden ze uit.” Ze lacht weer, nu besmuikt.

„Maar er is jullie niets overkomen”, zegt haar dochter.

„Niet dat soort dingen. Ik moest wel in de zogenaamde sterkevrouwenploeg. De hele dag in de sawa’s lopen en rijstplantjes in de grond drukken. De hele dag in die nare natte boel en aan het eind van de dag werd je kletsnat van het zweet in open vrachtwagens gezet, in de kouwe wind. Nee, dat was niet leuk.”

En haar moeder, wat moest die doen?

„Mijn moeder... Ja, mijn moeder... Voordat de Jappen kwamen was er vaak luchtalarm, en dan zat iedereen in de schuilkelder te bibberen, maar mijn moeder las een boekje. Haar zuster was altijd doodsbang. Ze was bij ons ingetrokken, met haar kinderen, en ze riep: kijk nou, luister nou wat er gebeurt. Mijn moeder zei: wat kan ik eraan doen? Ze las gewoon door. In het kamp veegde ze de goten, met een bezem. Nou, daar had je verder geen narigheid van.”

„Liefje”, zegt haar dochter. „Mama, vertel nog eens dat verhaal dat je eten ging stelen en dat je gesnapt werd.”

„Dat weet ik niet meer.”

„Jawel. Het was iets met een ei. Je werd gesnapt en toen kreeg je straf.”

„O ja”, zegt ze. „Ik moest drie dagen in de zon staan.”

„In de beerput”, zegt haar dochter.

„Nou ja, ach, beerput, beerput. Dat lijkt erg, omdat je denkt aan de beerputten van de boeren hier. Die zijn groot. De beerput daar was niet groot, het was niet zo heel erg verschrikkelijk.”

„Je stond er tot aan je nek in, mama”, zegt haar dochter.

„Het ergste was dat je in de zon moest staan, de hele dag. Je zweet jezelf ongelukkig en je krijgt geen water. Mijn broertje heeft dat ook meegemaakt. Hij was obstinaat en dat wilden de Jappen niet. Ze zetten hem in de zon met een bamboestok achter zijn knieën, en die stok mocht niet vallen, dus dan stond je” – ze duikt in elkaar – „de hele dag zo gebogen. In de zon. Ik kreeg ook zo’n stok, drie dagen lang, ik weet niet hoe ik het heb volgehouden. Misschien ben ik wel in elkaar gezakt of zo.”

Waarom heeft haar vader de oorlog niet overleefd?

„Buikvliesontsteking. Mijn broertje was bij hem, maar hij kon niks doen. Er waren geen artsen, er was niemand, niets. Toen we weer in Holland waren, na de oorlog, kwam mijn broertje vaak midden in de nacht bij me: ‘Ik kan niet slapen.’ Dan ging hij op een matras naast me op de grond liggen. Hij had altijd weer die angstdroom dat hij bij mijn vader was en dat hij niets kon doen.”

Kleren van de regering

Ze waren in 1946 naar Nederland gegaan, op een schip van de Koninklijke Nederlandsche Paketvaart. Voorbij het Suezkanaal kregen ze „van de Nederlandse regering” kleren en een handdoek. Met nog twee gezinnen trokken ze in bij haar grootouders op de Groot Hertoginnelaan in Den Haag. „Die waren heel streng”, zegt ze. „Goh, rook je een sigaret? Wat heb jij een korte rok aan! Op zondag moesten we naar de kerk.”

Denkt ze nog vaak terug aan het jappenkamp?

„Bijna nooit”, zegt ze. „Ik droom er ook nooit over.”

Ze ging al snel bij de KLM werken, op de administratie, en daar ontmoette ze haar man. Later zijn ze nog eens met z’n tweeën naar Jakarta geweest. „We konden, indien plaats, overal gratis naartoe vliegen.”

Het was er triest, zegt ze. „Somber en donker.” Ze zijn snel weer weggegaan.