De energie van paardebloemen

Op de Biënnale van Venetië presenteert Studio Drift een grote lichtinstallatie. Deel 1 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers.

Ralph Nauta en Lonneke Gordijn van Studio Drift met hun Fragile Future lampen, waarop paardebloempluisjes één voor één zijn gelijmd.
Ralph Nauta en Lonneke Gordijn van Studio Drift met hun Fragile Future lampen, waarop paardebloempluisjes één voor één zijn gelijmd.

Hoe ontwerp je met z’n tweeën?

Lonneke Gordijn: „Eerst werken we apart aan plannen, daarna samen. En als het begint te kloppen, zeggen we tegen elkaar: nu doorpakken.”

Ralph Nauta: „En dan krijgen we ruzie...”

Zij: „...en daarna komen we in een flow. En stoppen we pas als we allebei laaiend enthousiast zijn.”

Hij: „Dat proces duurt soms wel twee of drie jaar, hoor.”

Wat is uw sterke punt?

Zij: „Ralph ziet altijd mogelijkheden. Ook als er geen tijd lijkt te zijn, weet hij door te pakken. Hij is ook de aanjager bij het binnenhalen van projecten.”

Hij: „Lonneke’s sterkste punt is dat ze ideeën scherper weet te maken.”

Zij: „Onze piekmomenten verschillen. Ralph is vaak alweer met het volgende project bezig. Ik ben meer van de processen, en Ralph van de impulsen.”

Hij: „Ik houd van sciencefiction. Lonneke is meer geïnteresseerd in natuur.”

Zij: „Vaak zijn Ralph en ik het niet met elkaar eens. Ons werk is het punt waar we het wél eens zijn. We houden elkaar scherp.”

Is het ingewikkeld om zowel privé als zakelijk samen te zijn?

Hij: „Iedereen die zegt dat dat niet zo is, die liegt.”

Hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

Zij: „Mijn ouders hadden een modern interieur, met rare meubels, zoals de chaise longue van Le Corbusier. Een neefje dacht dat mijn vader tandarts was, met zo’n ligstoel. Als kind schaamde ik me een beetje dat het bij ons zo anders was.”

Hij: „Bij ons thuis was het een samenraapseltje met veel oud eiken meubels. Mijn vader, een ondernemer, verzamelde wel auto’s. Hij had bijvoorbeeld een Jaguar E Type. Met hem sprak ik over carburators. Ik ben een man, alles van stof vind ik moeilijk.”

Wat is het geheim van een geslaagd ontwerp?

Zij: „Er is niet één geheim; op heel veel manieren kunnen ontwerpen kloppen.”

Hij: „Een stoel hoeft niet lekker te zitten om een goed ontwerp te zijn.”

Zij: „Voor onze installaties geldt: bij elkaar moet het kloppen in een ruimte. En geen dingetjes, daar hebben we een hekel aan.”

Hij: „Bij ons thuis staat heel weinig.”

Zij: „Rust.”

Hij: „Laatst waren we op zoek naar een bankstel. Mooie banken vonden we te duur, goedkope te slecht gemaakt. Toen hebben we, huppekee, bij een kringloopwinkel voor 150 euro een bankstel uitgezocht. Nee, onze leefstijl lijkt niet op die van onze rijkste klanten. Die bezitten vaak meerdere huizen en hebben mensen in dienst om hun bezit te managen. Niks voor ons.”

Hoe zou u uw eigen ontwerpstijl omschrijven?

Hij: „Wij versmelten natuur, techniek en sciencefiction. Zoals met Fragile future, onze lichtgevende bloemen.”

Zij: „Mechanismen uit de natuur die iedereen onbewust voelt en herkent, maken wij zichtbaar. We zijn dromers, we accepteren de wereld niet zoals ’ie is.”

Hij: „We denken graag in onmogelijkheden.”

Wie is een voorbeeld voor u?

Hij: „Ik bewonder iemand als Joris Laarman, die net als wij aan de wieg stond van wat nu een trend is geworden, het vervlechten van natuur en techniek.”

Zij: „Olafur Eliasson, een kunstenaar die in de Tate in Londen de zon en de hemel representeerde, daar raakte ik van in vervoering.”

Wat bent u: ontwerper of kunstenaar?

Zij: „Wij zijn geen industrieel ontwerpers, maken geen producten die in grote aantallen geproduceerd kunnen worden. Maar met onze installaties, zoals die in het Rijksmuseum, bereiken we wel een groot publiek. En vaak genoeg krijgen we te horen dat onze installaties voor een glimlach zorgen of voor ontroering.”

Hij: „Ik ben geen ontwerper die graag praat, ik ben meer een doener. En eerder kunstenaar dan ontwerper.”

Zij: „Waarom zouden we onszelf in een hokje plaatsen? Disciplines bij elkaar brengen, dat is juist wat wij doen.”

Hij: „We zijn nu bezig met het ontwerpen van een compleet paviljoen voor een Franse privéverzamelaar. Maakt me dat opeens architect?”

Wat zou u graag ontwerpen?

Zij: „We zijn bezig met een techniek die wereldvernieuwend kan worden. We hebben een ingenieur ontmoet die ontdekte dat bij het recyclen van chemisch afval een restproduct overblijft dat verglaast kan worden tot een soort synthetische versie van obsidiaan, vulkanisch glas.”

Hij: „Hoe kunnen we dit dode afvalmateriaal interessant maken?”

Zij: „We hebben er een aantal spiegels van gemaakt.”

Hij: „Maar ons echte doel is een afvalverwerkingsfabriek die synthetisch obsidiaan produceert. Dat dat mogelijk is proberen we politiek aan de orde te stellen, want

niemand weet precies wat er speelt. Oplossingen zichtbaar maken, dat is wat we doen.”

Zij: „We zijn eigenlijk superidealistisch bezig.”

Hij, met een grijns: „Als het lukt, zijn we dan ook ecodesigners?”

Wat doet u over vijf jaar?

Hij: „Dan hebben we ook studio’s in Londen en New York. En krijgen we een solo in het Museum of Modern Art.”

Zij: „Tegen die tijd zou ik me graag steeds maar op één project tegelijk willen

focussen. Dat lijkt me een luxe.”

Hij: „Dat is nóg een verschil tussen ons.

Nu hebben we veertig mensen voor ons werken. Lonneke vindt omvang benauwend, voor mij voelt het bevrijdend.

Ingewikkelde projecten vergen veel

mankracht en denkcapaciteit.”