Medische sabotage als tijdelijke redding

Een proefschrift laat overtuigend zien hoe joodse artsen tijdens de Duitse bezetting noodgedwongen waren de medische ethiek geweld aan te doen. Alleen op die manier konden zij hun lotgenoten helpen.

Foto uit besproken boek

Dat nazi-artsen zich weerzinwekkend weinig gelegen lieten liggen aan medisch-ethische beginselen is in de loop der jaren breed uitgemeten. Minder bekend is hoe joodse artsen in hun verweer tegen de nazistische vervolgingswoede zich ook vaak gedwongen zagen om de medische ethiek geweld aan te doen. Zo voerden artsen in het getto van Warschau abortussen uit om de bedreigde levens van de moeders te redden.

Voor welke morele dilemma’s stonden joodse artsen in ons land? Arts en historica Hannah van den Ende schreef hierover een voorbeeldige dissertatie. Uitvoerig maakte zij gebruik van interviews en egodocumenten, zoals dagboeken en persoonlijke verslagen. Op consciëntieuze wijze geeft ze zich rekenschap van de waarde én beperkingen van die bronnen. De joodse artsen – 534 in totaal – vormden acht procent van de Nederlandse artsenstand, waarin zij volledig waren geïntegreerd. De ‘roeping’ van het arts-zijn oversteeg religieuze, politieke en sociale verschillen. Onderlinge collegialiteit, statusbewustzijn en een paternalistische dienstwilligheid tegenover patiënten kenmerkten deze beroepsgroep van notabelen.

Met de Duitse inval in mei 1940 veranderde alles. De Amsterdamse psychiater Berthold Stokvis trof na de capitulatie een wachtkamer aan met wanhopige mensen die smeekten om dodelijk vergif. Hoewel het indruiste tegen de medische ethiek waren sommige joodse artsen behulpzaam bij zelfmoord. Elf van hen kozen zelf voor deze ultieme vlucht.

Nog voor het verstrijken van het eerste bezettingsjaar kregen alle joodse artsen een behandelverbod voor ‘Ariërs’, en waren diegenen in overheidsdienst ontslagen. De emotionele, sociale en financiële gevolgen waren enorm. Een gezamenlijke protestactie van niet-joodse collega’s bleef aanvankelijk uit. Hoewel het artsenverzet kort daarna op grote schaal vorm kreeg en de maatregelen tegen joodse vakgenoten daartoe bijdroegen, was de segregatie binnen de artsenstand een feit. In het dagelijks leven leidde dit tot absurde situaties. Zo kreeg een joodse arts die op straat een ernstig zieke patiënt een injectie gaf de Sicherheitspolizei op bezoek.

Ofschoon in mindere mate dan andere joden liepen artsen eveneens het risico gearresteerd en gedeporteerd te worden. Niettegenstaande de voortdurend verslechterende omstandigheden probeerden de meesten hun beroep te blijven uitoefenen. Nog meer dan werken voor de omstreden Joodsche Raad vormde het keuren van joodse werkloze mannen voor werkkampen een moreel dilemma. Het huiveringwekkende alternatief was keuring door NSB-artsen. Op grote schaal pleegden joodse keuringartsen ‘medische sabotage’: kwalen werden aangedikt en ziektes geënsceneerd. Vrijwel alle artsen van wie joodse patiënten ter keuring werden opgeroepen deden hieraan mee. Wie verklaarde niets te hebben werd volgens een wrange joodse grap evengoed afgekeurd: hij was overduidelijk ‘mesjogge’.

Sterilisatie

Na aanvang van de massale deporaties vanaf juli 1942 werden joodse ziekenhuizen een begeerde onderduikplaats voor pseudopatiënten en pseudopersoneel. Tot medische sabotage behoorden nu ook het verrichten van schijnoperaties en misleidende ingrepen. Sterilisatie als middel om deportatie te voorkomen gold echter als taboe. Voor de betrokken artsen betekende werken voor de Joodsche Raad, in joodse medische instellingen of als vrijwilliger in doorgangskamp Westerbork een kans om zichzelf en anderen voor deportatie te behoeden. Voorlopig althans. De brute ontruiming van de joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch op 21 januari 1943 maakte duidelijk dat ziekenhuizen niet langer bescherming boden.

Door onder te duiken, een gemengd huwelijk of ‘arisering’ via de Calmeyer-procedure ontkwamen uiteindelijk 281 joodse artsen aan deportatie. In de Nederlandse kampen probeerden artsen zo goed mogelijk hun medegevangenen te helpen. In kamp Amersfoort, waar elke behoorlijke medische verzorging ontbrak, was dat nagenoeg onmogelijk. Ondanks de systematische tegenwerking van de SS lukte het joodse artsen de miserabele medische toestand in kamp Vught iets te verbeteren. In kamp Westerbork kwam na enige tijd een volwaardig ziekenhuis waar patiënten werden opgelapt. Het was kafkaësk in de overtreffende trap. Zodra zij ‘transportfähig’ waren gingen zij in volgepakte treinwagons alsnog een vrijwel zekere dood tegemoet.

Ook in Westerbork pleegden artsen medische sabotage, waaronder heimelijke abortussen. Redding van een medegevangene betekende onherroepelijk het transport van een ander. Aan de vastgestelde transportaantallen moest worden voldaan. Dat sommige artsen familie en kennissen bevoordeelden was welhaast onvermijdelijk, evenals een schuldgevoel daarover.

Voor de joodse artsen in Nederland vormde de bezetting een periode van uitsluiting, isolement, morele dilemma’s en uiteindelijk een wanhopige strijd om te overleven. Dit lukte 323 artsen (ruim 60 procent). Vergeleken met de totale joodse bevolking hier, waarvan 75 procent werd vermoord, is dit een opvallend hoog percentage. Een medisch beroep vergrootte de overlevingskansen aanzienlijk.

‘Alles overziend valt allereerst op hoezeer de Nederlandse joodse artsen er tijdens de bezetting alleen voor stonden’, constateert Van den Ende. Dit oordeel lijkt mij scherper dan haar grondige onderzoek en zorgvuldig opgebouwde betoog rechtvaardigen. De minimaal 150 ondergedoken joodse artsen en andere voorbeelden van solidariteit en hulpverlening geven een genuanceerder beeld. Het is een kanttekening bij een voortreffelijk proefschrift en een belangrijke bijdrage aan de geschiedschrijving van de jodenvervolging in ons land.