Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Ik herken me in iedereen

Lunchinterview Actrice en regisseur Adelheid Roosen gaat op safari in volkswijken. Bij een cappuccino in de Bijlmer legt ze uit wat ontmoeten is. „Hé, jij bent anders dan ik. Vertél.”

Actrice en regisseur Adelheid Roosen maakt toneel met bewoners van volkswijken in grote steden. „Nu is het Bijlmer, Blijmer, heerlijke Bijlmer.”
Actrice en regisseur Adelheid Roosen maakt toneel met bewoners van volkswijken in grote steden. „Nu is het Bijlmer, Blijmer, heerlijke Bijlmer.”

De jonge barkeeper van cultureel centrum NoLimit begint te stralen. „U bent..”, hakkelt hij. „Adelheid Roosen.” Ze is actrice, theatermaker, regisseur. Hij buigt zich over de vitrine met Surinaamse kokosdrankjes en blikjes Fernandez, en schudt met twee handen de hare. „Dat ik u nou eindelijk eens in het echt zie.” Ze lacht haar tanden bloot en roept: „Oh, wat énig.” Hij kent haar van de televisie, zegt hij, en hij heeft gehoord dat ze nu met „iets” bezig is in de Bijlmer.

Dat klopt. Op nog geen honderd meter van zijn toonbank heeft Adelheid Roosen (56) een tijdelijke werkruimte op de eerste verdieping van honingraatflat Geldershoofd. Van daaruit werkt zij met haar theatergezelschap al wekenlang aan de WijkSafari. Een voorstelling achter de voordeuren van een volksbuurt. Acht professionele acteurs logeerden twee weken bij buurtbewoners. Elk setje acteur/bewoner maakte samen één theaterscène van drie kwartier. Het publiek van de Wijksafari ziet die scènes bij de mensen thuis, en krijgt tegelijkertijd een reis door de buurt. Langs de toko van Omu, de Taibah moskee, de Wi Eegi Kerki, de voedselbank.

Adelheid Roosen maakte eerder Wijksafari’s in Utrecht, in Amsterdam-Slotermeer, in Mexico City. En nu dus in de Bijlmer.

Een ijzeren buitentrap leidt naar de tijdelijke werkruimte in de flat. Voorheen zat er een kinderdagverblijf. Tot de renovatie heeft de woningbouwvereniging de ruimte ter beschikking gesteld van de theatermakers. Matrassen, bankstellen, laptops, potten pindakaas en vellen vol schema’s aan de betonnen muren. Verspreid over de vertrekken zitten plukjes mensen stil te werken. Titus Muizelaar – ‘Muis’ en geliefde van Adelheid Roosen – zit aan de telefoon. Op het balkon – met van onder tot boven tralies – zit Melih Gençboyaci te roken. Hij is geboren in Duitsland, vanaf zijn achtste opgegroeid in Turkije en nu woont hij in Nederland. Hij logeerde in de Vluchtgarage, bij de asielzoekers die daar hun intrek hadden genomen. Nu werkt hij aan de scène die hij met twee Ethiopische vluchtelingen zal spelen. Adelheid Roosen krast pijlen op een stuk papier. „Die ontworteling is wat jullie drieën delen. Dat is de essentie, daar moet je op koersen.”

En weg wervelt ze, op haar witte cowboylaarzen. Intussen is het al ver na vieren. Lunchen?, schrikt ze. „Doe ik nooit.” Overdag leeft ze op wortels en radijsjes. Ze grijpt me bij de arm. Wijdopen bruine ogen. „Weet je wat ik wel wil?” Een echte cappuccino, dat wil ze.

Oeuvreprijs

En toen liepen we dus naar NoLimit, honderd meter verderop, waar we, na het gesprekje met de barkeeper, zijn gaan zitten aan een tafeltje in het gras naast de kinderboerderij.

Ik feliciteer haar met de Van Praag-prijs die ze in juni krijgt van het Humanistisch Verbond. Het is een oeuvreprijs die elke twee jaar wordt uitgereikt. Juryvoorzitter Alexander Rinnooy Kan zegt in het juryrapport dat zij de prijs krijgt voor de „onorthodoxe wijze waarop zij zich inzet voor liefde en menselijke relaties”. Ze wordt er, zegt ze, stil van. „Vreugdevolle stilte noem ik het.” Al haar werk gaat over „ontmoeten, over leren kennen wie een vreemde was, over een stem geven aan wie onbegrepen was”. Ze maakte de afgelopen jaren voorstellingen over haar dementerende moeder (Mam), ze voerde de Gesluierde Monologen op, waarin actrices de verhalen vertellen die ze van moslima’s optekenden. In De Oversteek bracht ze ‘burgers’ die zelden of nooit in een schouwburg komen op het toneel. Met haar staken ze het podium over en wandelde de voorstelling binnen, om na afloop met z’n allen in slaapzakken te overnachten op het podium. Met de Wijksafari’s brengt ze theater naar de mensen, de acteurs worden logés en de bewoners spelers.

Ze vertelt hoe ze haar ‘adoptiemethode’ bedacht. Het was in Groningen, waar ze op bezoek was bij een man op een zolderkamer. „Hij woonde er al 24 jaar. Op die kamer met één dakraam. Hij had net zijn bed onder het dakraam neergezet, en de tafel die daar stond op de plek van het bed geschoven. Een verplaatsing van drie meter. Wat dat teweeg bracht bij die man. Niet te geloven. Hij moest zich helemaal opnieuw verhouden tot zijn omgeving.”

Ze legt haar hand op mijn been. Losjes, hartelijk. „En ik.. ik die altijd ren, vlieg, beweeg en op weg is, ik begreep die man exact. Ik begreep wat die kleine beweging voor hem betekende.” Zij, de nomade, herkende zichzelf in de kluizenaar. Of, zoals zij zegt: „Onze levensscenario’s botsten en buitelden. En halverwege; ontmoetten we elkaar.”

En toen? „Ik wilde zijn verhaal niet bij hem weghalen, bewerken en door een acteur op het toneel laten spelen. Wat er tussen hem en mij gebeurde, de herkenning, dat was een universeel verhaal.” En dus? „Dus moesten we het samen vertellen.” Maar die man was geen acteur? „Nee. Maar als je een goede scène schrijft, een verslag van je ontmoeting, en je legt uit dat je op het toneel hetzelfde zegt als normaal, maar dan korter, dan snapt iedereen dat.”

Acht acteurs lieten zich vervolgens in een Groningse volksbuurt adopteren. „Helemaal full spirit. Ja, dat was even doodeng. Daarom moet je er van tevoren niet te lang over praten, want dan doe je het niet meer.”

Stom toeval dat ze eerder deze maand op televisie verscheen in het programma Jouw vrouw, mijn vrouw, waarin twee vrouwen een week van man en gezin ruilen. Adelheid Roosen nam haar intrek bij Big Jake, de manager van Barbie, een bekendheid met een eigen realityprogramma. Zijn vrouw Lydia kwam terecht in het rommelige atelierhuis van Adelheid Roosen en liet zich de zorgen aanleunen van lat-vriend ‘Muis’. Adelheid kookte, dweilde en redderde voor de Haagse Jake en zijn volwassen tweelingzoons. „Ik heb nooit samengewoond, de zorg voor een gezin, ik kén dat niet.” Schorre schaterlach: „Ik kook al vijftien jaar niet meer.” Lydia werd doodmoe van Adelheids leven. „Ze zei: jij moet de hele tijd dénken. Praten, discussiëren, beslissen.”

Ineens schalt haar stem over het grasveld. „Hé lekker ding. Dag kanjer van me. Wat ben jij toch mooi.” Een jonge Ghanese loopt langs. Roosen joelt: „Dag lekkere mooierd van me.” Het meisje groet gracieus en loopt verder. „Dat is onze jongste speler”, zegt Roosen. „Vierdejaars toneelschool Maastricht. Zij maakt een voorstelling bij Grace thuis.”

Façade

Een ontmoeting, zegt Roosen, een echte ontmoeting betekent dat je de ander onbevooroordeeld moet bevragen. „Je moet ook jezelf geven. Jij legt ook je schillen af. Het wezen van een ontmoeting is gelijkwaardigheid.”

De haan achter ons op het grasveld begint uit het niets te kraaien. Roosen spreekt hem vriendelijk toe. En dan: „Het leven is een lang, doorlopend gesprek met jezelf. Je leert je eigen gedachtegang beter begrijpen door de botsing met de ander. Hé, jouw leven staat haaks op het mijne. Vertel…” Zij kan zich in iedereen herkennen, zegt ze. Haar handen nu op m’n knie. „Jouw façade, jouw omhulsel is anders, maar ik herken het binnenwerk. De klok is bij iedereen hetzelfde.”

Ze leunt achterover in haar terrasstoel. „Zo’n adoptie, zo’n intensieve ontmoeting kan héél confronterend zijn.” Je wordt, zegt ze, soms verrast door je eigen vooroordelen, meningen, gevoelens en herinneringen. Ze denkt even na over de vraag op welk adoptieadres zij zichzelf het meest tegen kwam. „Dat was in Het Toevluchtsoord. Een Blijf-van-mijn-lijfhuis in Groningen. Ik leefde wekenlang met tig vrouwen en hun kinderen op dezelfde gang. We deelden de wc, de keuken, de wasruimten. Geen enkel probleem. Maar al die regels. Zo laat moest je binnen zijn, zo laat verplicht aan tafel, zo laat iedereen stil. Daar kon ik niet tegen.” Het herinnerde haar aan vroeger, aan hoe haar moeder toen was. „Een strenge, formele vrouw. Regels. Orde. Plichten. En ik was een wild kind. Onbesuisd, niet te temmen.”

Haar moeder is precies een jaar geleden overleden aan Alzheimer. „De laatste tien jaar van haar leven vond ik haar zo leuk. Ik kroop bij haar in bed, we hebben zo vreselijk gelachen.” Ze noemt die tien jaar een „cadeau” en een „tof rouwproces”. Ze was erbij toen ze stierf. „De dood is prettig gezelschap. Althans, geen gezelschap waarvoor ik wegloop.” Nee, ze was niet verdrietig. „Toen ik merkte dat ze niet meer ademde, zei ik, hardop: ‘Mam! Je bent dood’.” De kippen achter het hek van de kinderboerderij fladderen op bij haar harde lach.

En nu? „Nu? Nu is het Bijlmer, Bijlmer, heerlijke Bijlmer.” Een Wijksafari vergt een enorme logistiek. Straks zal het Safaripubliek worden opgedeeld in groepen, elke groep bezoekt per middag twee huiskamerscènes plus nog een aantal locaties in de wijk. „Op de wisselplek komen steeds twee publieksgroepen samen. Daar worden ze opgehaald door acteurs van de volgende scène.” Cultureel centrum NoLimit levert twaalf ‘scooterboys en -girls’. Die nemen het publiek achterop en brengen het naar de volgende locatie.

Adelheid Roosen staat op. Ze moet terug naar haar flatkantoor. Decorvergadering, begroting bespreken, afspraken met acteurs. Mij duizelt het. Haar niet. „Ik teken het productieschema zo op een bierviltje. Ik leef zo’n voorstelling. Waar ter wereld het ook is. Mexico City, enorme stad, ik was er nog nooit geweest. Maar je kunt me ’s nacht wakker maken, en ik lepel zo voor je op wie wanneer waar moet zijn en hoe laat.”