Ik? Een gewaaide gek

Ze is een gelauwerd vertaalster, maar bleef vooral in de coulissen. Wat maakte ze mee, wie waren haar geliefden. Guus Middag schreef op wat ze vertelde.

Foto Chris Keulen

‘Het is verbluffend te zien hoe hij probeert te begrijpen hoe mensen in elkaar steken,’ zei Thérèse Cornips (1926) ooit over Proust, de schrijver wiens meesterwerk het huzarenstuk van haar eigen vertalerscarrière werd. Ze vertaalde alle delen van À la recherche du temps perdu en ontving in 1999 de Martinus Nijhoffprijs, maar bleef verder tamelijk onzichtbaar. Ze was trots dat ze Proust vertaalde maar had de bescheiden natuur die past bij het vertalersvak. Ze hoefde niet op de voorgrond.

Dat die eigenschap haar zowel veel gebracht als veel ontnomen heeft, weet ze zelf heel goed, blijkt uit Met een bevroren jas en een geleend tientje, dat bestaat uit haar herinneringen, opgetekend door Guus Middag, die haar leerde kennen als de gewezen geliefde van de dichter Chris van Geel. Talloze gesprekken voerde hij met haar over haar leven: een beweeglijk bestaan, ontbottend in de woelige naoorlogse jaren van artistieke en seksuele vrijheid, geplaveid met zowel armoede en misère als met mooie liefdes en interessante kansen.

Wat rest daarvan als iemand er na haar tachtigste op terugblikt? ‘Kijk ik terug, dan zie ik dat ik mezelf vaak heb weggecijferd. Op zichzelf is dat misschien een goede eigenschap, maar ik was toch te vaak te belangeloos, tot mijn eigen ergernis achteraf. Dat heeft met een karaktertrek van mij te maken: ik reageer secundair, en soms pas heel laat.’ Prousts talent om mensen te begrijpen heeft Cornips zeker ook. De tragiek van haar leven is dat ze daar waar het op haarzelf aankwam te weinig gebruik van maakte. Veel beslissende momenten liet ze zich overkomen.

De duinen van Groet

Haar eerste liefde met wie ze onbezonnen en vrolijk samenwoonde, liet ze dwarsbomen door haar moeder. De tweede, met schilder Klaus Grünewald, liet ze zich afnemen door een vrouw die veeleisender was dan zij. Net als haar echt grote liefde, de dichter Chris van Geel met wie ze samenleefde in de duinen van Groet tot een andere vrouw haar verjoeg en ze van ellende zelfs haar ambities als beeldend kunstenaar opgaf. En toen haar allerlaatste man, archeoloog Carlos van Regteren Altena met wie ze nog na haar zeventigste heel gelukkig werd, terug wilde naar de stad, verliet ze pardoes haar geliefde landhuis in België. Zo ontstonden wat zij ‘de grote verdrieten van haar leven’ noemt.

Het merkwaardige is dat het over het algemeen juist de ongewone kracht en soevereiniteit van Cornips zijn die indruk maken. Een vrouw, geboren in het katholieke Maastricht, met een opvallend beweeglijk gezicht, een sterk en watervlug lichaam (als kind was ze jaren wedstrijdzwemster) en een zeer open, vrije natuur.

Toen ze in de oorlog onder het juk uit wilde van haar dominante en strenge moeder klom ze onvervaard het huis uit, griste haar pasgewassen en bevroren aan de waslijn hangende jas uit de tuin en smeerde hem. Toen ze jaren later verliefd werd op een Zweedse matroos reisde ze hem achterna naar Zweden, zwierf er rond bij vrienden en belandde uiteindelijk in een eenzame hut in het bos waar ze gretig haar minnaar ontving, die haar na enige tijd dumpte waarna ze maandenlang in haar eentje hout hakte, zwom, wandelingen maakte, Shakespeare las en gelukkig was.

En toen Van Geel, die ze ondanks zijn despotische trekken zeer bewonderde en liefhad, haar verbood veel naar buiten te gaan, haalde ze hem over tot lange nachtwandelingen en zwom ze zelf genotvol in zee. Ook de rij geliefden en minnaars die in haar leven voorbijtrok lijkt haar kracht te onderstrepen: ze werd snel en vurig verliefd, durfde haar hart te verliezen maar moest ook vaak vaststellen dat zo’n liefde weer over was.

Er rijst dus een wonderlijke vrouw uit dit boek op. ‘Een beetje een gewaaide gek’, zegt ze ergens, een zelfportret waar iets ondermijnends in doorklinkt maar ook mededogen. Alsof ze geamuseerd naar zichzelf kijkt.

Dat die indruk ontstaat heeft mogelijk ook met de vorm van het boek te maken: veel vormgeving kwam daar niet aan te pas. Middag citeert haar (inclusief vele herhalingen die er voor zo’n boek wel uitgehaald hadden mogen worden) en opereert louter als doorgeefluik. Dat zou kunnen storen, verlangend naar duiding en samenhang als we doorgaans zijn. Maar het laat duidelijk zien dat Cornips zelf evenmin een verhaal van haar leven heeft gemaakt, wat bijzonder is. Ze lijkt geen zaken aan te dikken of te verzwijgen en ook haar zelfreflectie is summier. Ze portretteert zichzelf via derden, via Van Geel bijvoorbeeld, van wie ze begreep dat hij viel op iets wat hij niet kende – ‘ik was iemand die zingend over de veldweg liep’ – alsof het haarzelf ook verwondert.

Iets vreemds

Ook over haar terugkerende depressies (één keer leidend tot een zelfmoordpoging met langdurige gevolgen) zegt ze iets via een geliefde: ‘hij heeft later ook gezegd dat er iets vreemds was in mij, zonder dat hij kon zeggen wat dat was. Er zijn wel meer mensen die eigenlijk nergens bij horen. En ik heb dat ook. Ik denk niet dat er veel aan te doen is.’

Nergens bij horen, in de schaduw van de bloeiende Proust een groot werk verrichten, de liefde gekend hebben in de meest uiteenlopende vormen: minder dan een rijk leven kun je dat niet noemen.