Strenger dan Duitsland en Noorwegen

Is Nederland inhumaan door alleen tijdelijk opvang te bieden aan uitgeprocedeerden?

Uitgeprocedeerde asielzoekers die onder de brug moeten slapen? „Er is volgens mij geen burgemeester die dat zal accepteren”, zei burgemeester Aboutaleb (PvdA) van Rotterdam gisteren in de Tweede Kamer. Hij was daar, samen met andere burgemeesters, om vragen te beantwoorden van parlementariërs.

Het kabinet wil wel bed, bad en brood bieden aan uitprocedeerden. Maar slechts een „beperkt aantal weken”. Wie dan nog niet is teruggekeerd, wordt op straat gezet. Burgemeesters zijn kritisch. Vandaag debatteert de Kamer over de kabinetsplannen.

Hoe regelen andere landen de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers? Is het Nederlandse asielbeleid echt zo strikt? En wat doet de bed-bad-brooddiscussie met de reputatie van Nederland als ‘mensenrechtenland’?

Er is geen eenduidig Europees beleid voor de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers. Daarom zijn er veel verschillen tussen de landen.

Die verschillen zijn te lezen in een vergelijking die staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) vorig jaar vroeg aan zijn Europese collega’s, via het Europese Migratienetwerk (EMN). Elk land beschreef zelf hoe het omgaat met uitgeprocedeerden.

Letland en Kroatië zijn het strengst. Daar is helemaal geen opvang voor deze groep. In het Verenigd Koninkrijk krijgen uitgeprocedeerden alleen opvang als ze aan allerlei eisen voldoen. Ze moeten in elk geval „behoeftig” zijn en meewerken aan uitzetting.

In Estland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en Finland hebben alle asielzoekers recht op opvang – uitgeprocedeerd of niet. Zweden schrijft dat wie „het land niet vrijwillig verlaat en niet onder dwang kan worden uitgezet, recht heeft op opvang onder dezelfde voorwaarden als voorheen”. En dan zijn er de landen met vergelijkbare regels als Nederland: asielzoekers worden een beperkte tijd opgevangen om terugkeer voor te bereiden. Maar die opvang is voor een beperkte tijd.

Een asielzoeker heeft in Nederland na afwijzing van zijn verzoek 28 dagen om het land te verlaten. Daarna houdt de opvang op. Uitzondering zijn gezinnen met minderjarige kinderen: die hebben altijd recht op opvang.

België, Frankrijk, Luxemburg en Slowakije hebben vergelijkbare regels. In Frankrijk duurt de opvang een maand. België geeft in eerste instantie tien dagen om terug te keren. Maar wie meewerkt, kan twee keer tien dagen verlenging krijgen.

Op het punt van bed-bad-brood zijn de Europese landen nog prima te vergelijken. Een stuk moeilijker wordt het om een algemener oordeel te geven over de strengheid van het Nederlandse asielbeleid.

Je zou kunnen kijken naar het aantal toegewezen asielverzoeken. In Nederland is vorig jaar tweederde van de verzoeken ingewilligd. Dat is relatief veel, blijkt uit cijfers van Europees statistiekbureau Eurostat. Het EU-gemiddelde is 45 procent.

Maar die cijfers zijn problematisch, zegt René Bruin van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR. „In Italië zijn veel Malinezen, Nigerianen en Pakistanen. Nederland heeft Syriërs, Eritreeërs, Irakezen en Iraniërs. Dat zijn echt andere landen.” Dan is het logisch dat ook de beslissingen anders uitvallen. Zelfs een vergelijking van asielbeslissingen van vluchtelingen uit één land, geeft geen uitsluitsel. „De situatie kan ook per Afghaanse provincie verschillen.”

Internationaal staat Nederland bekend om een snelle afhandeling, zegt René Bruin. Veel zaken worden in acht dagen behandeld door Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Het Europees Comité voor Sociale Rechten oordeelde vorig jaar dat Nederland bed, bad en brood moet bieden aan iedereen. Een latere interpretatie van Europese ministers ging minder ver. Het kabinet greep dit aan om te besluiten tot opvang van een „beperkt aantal weken”. Wat betekent dit voor het imago van Nederland?

Ambassadeurs in Nederland hebben ongetwijfeld aan hun hoofdsteden gerapporteerd over dekwestie, zegt Herman Schaper, hoogleraar vrede, recht en veiligheid en voormalig permanent vertegenwoordiger voor Nederland bij de VN. „Het helpt onze reputatie niet, maar of het erg veel schade aanbrengt is te vroeg om te zeggen.”

Hij wijst erop dat bed-bad-brood wel een heel specifieke discussie is. Zo’n incident kan de reputatie van een land niet maken of breken. „Ik zag laatst dat het aantal vluchtelingen dat we vorig jaar opnamen aanzienlijk is. Dat vind ik relevanter. Wat dat betreft hebben wij nog een reputatie.”

Ook Abi Williams, oud-adviseur van VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon en nu president van The Hague Institute for Global Justice, denkt dat de schade meevalt. „Er is geen overheid in deze wereld met een perfecte staat van dienst op het gebied van mensenrechten.”