Publiek is niet zaligmakend

Melle Daamen stelt publiek voorop bij cultuurbeleid. Maar bezoekersaantallen zeggen niet alles, is het weerwoord.

Melle Daamen, lid van de Raad voor Cultuur, schreef op 16 april in het Cultureel Supplement een welwillende zelfrecensie over de Agenda Cultuur van zijn eigen Raad. Hij wees er op dat de Raad zo dapper is geweest om het publiek centraal te stellen. Geen l’art pour l’art meer, maar l’art pour homme. Opvallend was dat hij het advies van de Raad voor Cultuur plaatste tegenover de verkenning Cultuur herwaarderen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De WRR zou vrolijk doorgaan op de lijn om niet het publiek centraal te stellen, maar de intrinsieke waarde van kunst. Dat is niet correct.

De WRR-verkenning Cultuur herwaarderen schrijft dat in het denken over cultuur en beleid drie perspectieven bestaan: een artistiek perspectief waarin ‘verbeelding’ centraal staat, een sociaal perspectief waarin ‘verspreiding’ voorop staat en een ‘economisch perspectief’ waarin 'verdienen' de leidraad is.

In de afgelopen decennia is een sterker accent komen te liggen op het sociale en economische perspectief. Deze accentverschuiving heeft ertoe geleid dat van de culturele sector grootse prestaties worden verwacht, zoals bijdragen aan stedelijke gebiedsontwikkeling, het zorgen voor economische groei, het realiseren van sociale cohesie in buurten, het verbeteren van de gezondheid en zelfs het oplossen van problemen van duurzaamheid: l’art pour l’économie et l’art pour la société. Veel van deze effecten zijn moeilijk te onderbouwen of treden niet op.

Veelheid van publieken

De WRR bepleit een herwaardering van het culturele in het cultuurbeleid. De aandacht dient uit te gaan naar inhoudelijke ontwikkelingen binnen de culturele sector zelf, en minder naar de rol die cultuur kan spelen op andere beleidsterreinen, zoals economische zaken of welzijn. Dat betekent niet dat de culturele sector met de rug naar de samenleving staat, maar juist dat de sector het vermogen moet hebben om zich te verbinden met een veelheid van publieken. Precies zoals Daamen en de Raad voor Cultuur betogen.

Daarbij komt dat kunstenaars en instellingen die aanspraak maken op publieke middelen ook de publieke taak hebben om de betekenis van hun werk voor een publiek duidelijk te maken. Maar die betekenis kan heel verschillend zijn en is niet alleen te vangen in aantallen bezoekers.

Om de relatie tussen cultuur en publiek te versterken doet de WRR diverse voorstellen, waaronder het experimenteren met vormen van publieksbeoordeling, het beter aansluiten bij succesvolle particuliere initiatieven en het professionaliseren van publieksonderzoek. Het zijn voorstellen die voor een belangrijke deel aansluiten bij wat nationaal en internationaal gaande is. De stelling dat kunst een publiek nodig heeft is minder vernieuwend dan Daamen veronderstelt, al was het maar omdat publieksbereik een van de subsidiecriteria is. Het versterken van de relatie tussen cultuur en publiek is echter niet gemakkelijk. Zeker nu smaakpatronen van burgers veelvormiger en grilliger zijn geworden, waarbij het onderscheid tussen hoge en lage cultuur aan het vervagen is. Een meer ‘zwevend’ publiek vraagt om nieuwe methoden om de verschillende voorkeuren van burgers in kaart te brengen. De overheid kan deze ontwikkelingsfunctie stimuleren door een deel van de subsidiegelden te reserveren voor onderzoek en experimenten.

Schouwburg Meppel

Maar de WRR waarschuwt ook voor de macht van het getal. Niet alleen als het gaat om bezoekersaantallen, maar ook als het gaat om het werven van alternatieve bronnen van financiering (sponsoring, crowdfunding). Niet elke instelling verkeert in een even goede positie om een groter publiek of meer eigen inkomsten te verwerven, onder meer door locatieverschillen. Een schouwburgdirecteur in Amsterdam heeft een betere startpositie dan een schouwburgdirecteur in Meppel. Een deel van de culturele sector zal zijn succes en publiek kunnen vergroten, terwijl andere instellingen juist te maken hebben met minder middelen en een bescheiden publiek.

Dit Mattheüseffect (de rijken worden rijker en de armen worden armer) hangt samen met de wijze waarop de financiering van de culturele sector is ingericht. De overheid kan publieke geldstromen (subsidies) sturen, maar dat geldt niet voor private geldstromen. Dat dit Mattheüseffect optreedt blijkt uit recent onderzoek van het CBS naar Nederlandse musea. Grote musea trokken de afgelopen jaren meer bezoekers, hadden een positief bedrijfsresultaat en waren beter in staat vermogende sponsoren aan te trekken, terwijl middelgrote en kleinere musea te maken hebben met dalende bezoekersaantallen, een negatief bedrijfsresultaat en minder kapitaalkrachtige vrienden.

Beperkte bezoekersaantallen willen echter niet zeggen dat culturele instellingen kwalitatief onvoldoende presteren. Discussies over de samenhang tussen publiek en kwaliteit illustreren ook de onmacht van het getal. Hoge aantallen zijn niet perse een indicator van hoge kwaliteit. Geringe aantallen overigens ook niet. Maar tamboereren op meer publiek gaat voorbij aan inherente verschillen en ongelijkheden binnen het culturele bestel. Publiek moet niet het nieuwe dogma worden.