Minder geld, Taalunie kan niet anders

Voor de Taalunie

Maar het is niet onze taak om een heel taalinstituut te betalen, vindt Geert Joris.

De Taalunie begrijpt de verontruste reacties uit het internationale onderwijsveld Nederlands naar aanleiding van de aankondiging van enkele noodzakelijke bezuinigingen. Ze getuigen van liefde voor het vak en grote betrokkenheid bij het beleid. We beschouwen de brief dan ook in eerste instantie als een steun voor het Nederlands. Tegelijkertijd wordt nu een beeld geschetst dat niet helemaal klopt en dat we graag in perspectief willen plaatsen.

De Taalunie beseft dat de aangekondigde bezuinigingen pijn doen. Dat doen alle bezuinigingen en dat heeft ook de Taalunie zelf aan den lijve ondervonden met een reorganisatie. Mensen zien activiteiten verdwijnen waarin ze jarenlang hun ziel en zaligheid hebben gelegd. Dat is moeilijk en dat is voor medewerkers van de Taalunie niet anders.

De realiteit is dat de Taalunie de voorbije jaren in totaal zo’n 2,7 miljoen euro op haar totaalbudget van 12,5 miljoen euro heeft moeten besparen. De Taalunie heeft die totale bezuiniging gefaseerd doorgevoerd, door intern te reorganiseren, door haar kerntaken te bepalen en door bestaande activiteiten te toetsen aan haar vernieuwde doelstellingen als beleidsorganisatie voor het Nederlands.

Van de Taalunie wordt verwacht dat ze een integraal taalbeleid voor het Nederlands voert. Dat wil zeggen dat ze aandacht moet besteden aan de positie, de beschrijving en de verwerving van de taal. Dat zijn meteen de drie speerpunten van het vernieuwde beleid die ook gereflecteerd worden in de nieuwe begroting van de Taalunie.

Zo’n 36 procent van het budget gaat naar beschrijving, onder de noemer taalinfrastructuur. Het merendeel van deze middelen wordt één op één doorgegeven aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Zo’n 30 procent van het budget gaat naar verwerving, onder de noemer taalgebruik. Het merendeel van deze middelen gaat naar het onderwijs Nederlands buiten het taalgebied. Voor de positie van de taal wordt zo’n 3,5 procent uitgetrokken, onder de noemer taalbeleid, en voor communicatie is eenzelfde percentage bestemd. De apparaatskosten van de Taalunie bedragen zo’n 27 procent, wat een normaal percentage is voor een beleidsorganisatie die het vooral moet hebben van de inzet van de kennis en de expertise van haar eigen medewerkers. We snoeien dus niet onevenredig hard in het onderwijs Nederlands buiten het taalgebied en we geven niet onevenredig veel geld uit aan communicatie.

Dat er ook op de ondersteuning van het onderwijs Nederlands buiten het taalgebied moet worden bezuinigd, heeft te maken met de drieledige focus die de Taalunie op vraag van haar overheden moet bewaken, ook in tijden van diepgaande bezuinigingen als deze.

Over de keuze waarop moet worden bezuinigd, zal iedereen in het veld een andere mening hebben. De Taalunie heeft ervoor gekozen de basisfinanciering en didactische ondersteuning van het internationale onderwijsveld Nederlands overeind te houden omdat daarmee het hele veld wordt bediend. Van de jaarlijkse zomercursus in Nederland voor internationale studenten Nederlands en de aanvullingen op lonen van leraren kon slechts een beperkt deel van het veld gebruikmaken. Een eigen taalinstituut overeind houden, behoort niet tot de kerntaken van de Taalunie, nergens in de wereld en dus ook niet in Indonesië. Dat maakt de klap zeker niet minder groot, maar het haalt dus ook niet het fundament onder de ondersteuning van het hele internationale onderwijsveld Nederlands vandaan.

De Taalunie laat het onderwijs Nederlands buiten het taalgebied niet in de kou staan. Ter vervanging van de zomercursus en de aanvullingen op lonen van leraren worden nieuwe activiteiten gezocht die de doelstellingen blijven verwezenlijken. Daartoe zal de Taalunie overleggen met het veld en zijn vertegenwoordigers.

Met de Week van het Nederlands wil de Taalunie het belang van het Nederlands over het voetlicht brengen en ook dat doen we in samenwerking met partners. De Taalunie hoopt dat de verontruste mensen uit het internationale onderwijsveld Nederlands de ‘Week van het Nederlands’ volop zullen steunen in plaats van die te boycotten, zodat er in de toekomst opnieuw meer geld naar initiatieven ter ondersteuning van het Nederlands gaat in plaats van minder.