Leutnant Otto schrok 70 jaar later nog altijd wakker

Vorig jaar stierf de Duitse officier Trotsch (94). Een doos met foto’s en medailles vertelt zijn verhaal.

Via haar kleine zwarte terriër laat mevrouw Trotsch (85) weten hoe ze zich voelt. „We missen opa, hè Mausi?” ‘Opa’ is haar man Otto, in oktober op 94-jarige leeftijd overleden. Hij had tijdens de Tweede Wereldoorlog gediend bij een pantserdivisie die actief was in de Duitse veldtochten op de Balkan en aan het Oostfront. Zeventig jaar na de oorlog behoorde hij tot de snel uitdunnende generatie Duitse veteranen die nog kunnen vertellen over hun wapenfeiten voor het Derde Rijk.

Otto Trotsch had vorig jaar na een oproep van deze krant in een Duits veteranenblad in telegramstijl geantwoord: onder meer dat hij uiteindelijk de rang had van luitenant, in het laatste oorlogsjaar zeven keer gewond was geraakt in Silezië, en dat hij vlektyfus had opgelopen. Na 1945 volgden vijf jaar Russische krijgsgevangenschap.

Mevrouw Trotsch vertelde daarna aan de telefoon dat haar man inmiddels was overleden. Ze had nog spullen van hem over de oorlog. Of daarvoor interesse was.

En zo zijn we op een grauwe donderdag in deze goedburgerlijke jarenzestigvoorstad van Dortmund. Op de salontafel heeft de weduwe een doos met boeken klaargezet, en een fotoalbum met in gotische letters: ‘Oorlogsdagboek 1940–1950’. Daarnaast een zelfgemaakt prijzenkastje met militaire eerbewijzen. Onder meer tweemaal een IJzeren Kruis, de medaille voor betoonde moed.

Mevrouw Trotsch keert terug uit de keuken met een klein potje koffie voor haar gast. Die onderscheidingen zijn alleen om te laten zien, zegt ze. Haar zoon, die in de VS woont, wil die graag hebben. Of haar man betrokken was bij de vele wandaden en moordpartijen die door Duitse militairen zijn aangericht in Griekenland en aan het Oostfront wordt niet duidelijk. In het fotodagboek zijn wel veel foto’s van gevallen „kameraden” te zien, maar niet van burgerslachtoffers. De meeste boeken in de doos gaan over de vijfde pantserdivisie van de Wehrmacht, waar Trotsch bij diende. Er is een Vikingroman bij met een hakenkruis op de omslag: een verjaardagscadeau van zijn kameraden uit 1942. Het boek is geschreven door de SS’er Henrik Herse. „Ik weet niet waar hij geweest is in de oorlog en wat hij precies heeft gedaan. Daar praatte hij niet over”, zegt mevrouw Trotsch, op een toon die aangeeft dat ze het ook niet wil weten. „De laatste jaren zat hij ’s nachts vaak ineens klaarwakker rechtop in bed. Nachtmerries.”

Het fotodagboek van haar man begint op 3 september 1939 met de inname door Duitse troepen van Bielsko, ooit Oostenrijks maar sinds 1920 Pools. Trotsch kwam uit die stad, die door de Duitstalige meerderheid Bielitz werd genoemd, en trad na de annexatie in Duitse krijgsdienst.

Bij de militaire onderscheidingen bevindt zich ook een stukje metaal. „Ja, op een gegeven moment ontdekte ik een flink abces op zijn rechterbil”, zegt mevrouw Trotsch. Haar handen vouwt ze tot de omvang van een spiegelei. Ze had hem naar de dokter gestuurd, en die heeft dat aandenken uit de bil van haar man gevist.

Nanny Eindlein, haar meisjesnaam, leerde Otto Trotsch pas kennen in 1960. Hij had een paar jaar gewerkt als croupier in een casino. En was net een groothandel in kantoorartikelen begonnen. Kennelijk was hij lid van de keurige christen-democratische CDU: in zijn fotodagboek bewaarde hij aantekeningen op de achterkant van uitnodigingen voor partijbijeenkomsten. „Ik herinner me alleen dat de oorlog verschrikkelijk was”, zegt mevrouw Trotsch. Daarom wil ze af van die spullen van haar man. Gelukkig woont haar dochter met haar twee kleinkinderen in de buurt. „Dat maakt het nog een beetje gezellig, hè Mausi?” Haar man beëindigde zijn dagboek op 5 juni 1950 met de mededeling: „Ongebroken. Vol hoop en dadendrang opent zich de deur naar de toekomst.”