Laat de natuur haar werk doen

Herman de vries vertegenwoordigt Nederland op de Biënnale van Venetië, die 6 mei begint. In de lagune laat hij sporen achter, zoals hij dat al jaren doet in het bos rond zijn dorp Eschenau.

Werk van herman de vries in het Steigerwald. Foto Cleo Campert Foto Cleo Campert

Hij was op weg naar Ierland, waar hij een huis zocht aan een stille kust. Het werd Eschenau, een klein dorp in het noorden van Beieren. 45 jaar geleden reed herman de vries, ook toen al met baard en zonder hoofdletters, door dit dorp na een bezoek aan een bevriende kunstenaar en ging er niet meer weg. Hier maakte of bedacht hij zijn tekeningen en aarduitwrijvingen, hier stelde hij zijn journaals samen en schreef hij met de hand zijn teksten – 250 keer ‘yes’ en ‘no’ in grijs, duizenden keren ‘all’ in allerlei kleuren.

Mag ik de appelboom zien? Het is de eerste vraag die ik aan de vries stel. Hij begrijpt niet meteen wat ik bedoel. „De appelboom? Vroeger, voor de ruilverkaveling, stonden hier in en om Eschenau wel zevenduizend fruitbomen”, zegt de kunstenaar. De vries (Alkmaar, 1931) spreekt Duits met een Nederlands accent en Nederlands dat soms letterlijk uit het Duits vertaald lijkt. „Na de ruilverkaveling waren er nog vijftig over, en die zijn ook nog verdwenen.” Ik kijk uit het raam van zijn huis zo de velden in. Ze glooien in verschillende tinten groen, met hier en daar toch nog een boom. Ik vraag nogmaals naar de appelboom. „De boom waar u in 1975 één uur, twee uur en drie uur onder heeft gezeten”, zeg ik. Mensen die een appelboom in de tuin hebben, zullen dat wel vaker doen, eronder zitten. Velen zullen hem fotograferen, met een kind of een kat ervoor, sommigen zullen hem schilderen. De vries deed al die dingen niet. Geen foto, geen schilderij, geen film. Hij legde onder de boom witte doeken. Het moet herfst geweest zijn, want de uren leverden een met steeds met meer blaadjes gevuld doek op. Zoals de blaadjes vielen, heeft de vries ze geconserveerd. Eén, twee, drie uur onder mijn appelboom (1975) is een sleutelwerk in zijn oeuvre geworden. Het was het eerste werk waarin de vries de natuur toeliet. Met de appelboom nam de vries afscheid van de geschilderde abstractie, geometrie en monochromie. Voortaan liet hij de natuur haar werk doen.

„Die appelboom is hier niet”, zegt de vries als hij weet op welke boom ik doel. „Die stond in mijn tuin toen ik nog in het kleinste huis van het dorp woonde. Ik weet niet of hij er nog is. Mensen zijn niet zo begaan met bomen.” De vries hecht kennelijk ook niet zo aan deze boom, die voor mij de status van een monument heeft. Hoe hij er nu ook uitziet, hij stond aan de wieg van een van de opmerkelijkste oeuvres uit de Nederlandse kunstgeschiedenis, een oeuvre dat – en misschien is de vries daarom niet zo begaan met het lot van deze ene boom – eigenlijk van alle bomen een monument maakt. En nog meer dan dat. Voor de vries is de natuur kunst, de werkelijkheid poëzie.

Eschenau ligt aan de rand van het Steigerwald, een van de grootste loofbossen die er in West-Europa nog te vinden is. De vries noemt het woud zijn atelier, waar hij dankzij zijn vriendschap met de opzichter overal mag rondlopen en -rijden. „Het hele gebied waar ik nu toegang toe heb is 500 vierkante kilometer. Een bos is het eindstadium van een natuurlijke ontwikkeling. Kijk maar naar mijn sanctuaria. Dat zijn omheinde stukken grond waarin ik de natuur haar gang laat gaan. Mensen zijn daar niet voor nodig, de wind en de vogels brengen zaden. En dan begint het met onkruid, dat zijn de pioniers die het lege land bezetten. Dan krijg je een successie van plantengemeenschappen. De eindfase van de ontwikkeling is altijd bos. Dat blijft zo voor honderden zo niet duizenden jaren, als de mens het laat staan en het klimaat niet verandert.

De vries, die is opgeleid als bioloog, wandelde bijna elke dag in het Steigerwald. Na een slechte winter loopt hij nu wat minder. Daarom neemt niet hij, maar zijn goede vriendin Katharina Winterhalter, ons mee het bos in. We bestijgen een helling bij het dorpje Wustviel. Ik kijk naar de blaadjes die de bosgrond overdekken. Het is net lente geworden, maar op de grond is het nog herfst, een rood en bruin dat vossen doet vermoeden. De vries reist veel, maar het meeste van zijn werk is toch hier ontstaan, in zijn bosstudio. We zien in zijn werk bos. Echte blaadjes, echt toeval. Geen illusie, maar isolatie.

Eén, twee drie uren onder mijn appelboom heeft vele opvolgers gekregen. Werk van bladeren en van stenen, van rozen en lavendel, van houtskool en van aarde. Ik vraag me af hoe hij tot zijn keuzes komt. „Vroeger zat ik vaak op de bosbodem en rookte mijn hasjpijpje”, antwoordt de vries een dag later. „Het bos heeft mij niet nodig. Het bos is compleet. Ik kon rustig anderhalf uur kijken naar de grond voor me en dan nam ik iets op maar ik had altijd de neiging het weer terug te leggen.

Wanneer neemt hij toch iets mee? „Als ik het niet laten kan.” Als alles even belangrijk is, hoe verantwoordt hij dan de isolatie van één ding? „Ik werk altijd in een grensgebied. Dat is mijn nulpositie.”

De vries neemt niet alleen dingen weg uit het bos, hij voegt ook toe. In het Steigerwald zijn sinds 2006 op een twintigtal grote stenen gouden stippen verschenen, en woorden of korte teksten. Ook in Digne-les-Bains, waar het musee Gassendi een grote collectie van de vries bezit, deed hij zulke ingrepen in het landschap. Ik zie een tekst in het Chinees, wo wei, wat volgens de vries ‘niet doen’ betekent, of ‘niets doen’. Er zijn ook teksten in het Sanskriet en in het Latijn, Duits en Engels - in elke taal filosofisch en woordspelig. chance & change bijvoorbeeld. De tekst in het Sanskriet staat in een groeve die aan steen de mooiste tinten groen ontlokt, alsof het op deze wand al zomer is. Hoe beslis je waar je iets wilt toevoegen, vraag ik de vries. „Er zijn plekken die ik mooi vind, die uitzicht bieden, waar mooie stenen liggen. Daar breng ik teksten aan, maar die teksten zijn klein. Ik wil geen visuele invloed op het bos uitoefenen. Ik noem het sporen die ik achterlaat en sporen moet je zoeken. En als je de sporen niet vindt, heb je toch veel ervaren in de tijd dat je gezocht hebt.”

Een tekst die zowel bij Digne als in het Steigerwald in een steen is gekerfd, is ‘ambulo ergo sum’, ik wandel dus ik ben. „Dat is een uitspraak van Pierre Gassendi, die woonde in Digne en was bevriend met Descartes. Descartes zei: ‘Ik denk dus ik ben.’ Gassendi was het daar niet mee eens, die ging meer van zijn zintuigen uit. Ik ook. Ik zie, ik ruik, ik voel, ik hoor, dat is mijn relatie tot de wereld. Pas daarna komt het denken.”

Ik bedenk dat er, als de vries nog bekender wordt, in het bos wegwijzers zullen verschijnen. „Alsjeblieft niet”, zegt hij. „Er is een gestencild papier, waarop de vindplaatsen een beetje beschreven worden, maar dat is alles.”

Behalve de sporen in het bos is er in de buurt van Eschenau ook nog Die Wiese, een stukje grond dat de vries veertig jaar geleden kocht en daarna aan zijn lot overliet. Een vierkant stuk bos in een verder kaal weiland. „Kunst levert een bijdrage tot bewust zijn of bewust worden”, zegt de vries. „Het is een van de weinige vrijplaatsen die er nog zijn. Daarbuiten ben je nooit helemaal vrij. Ik ben graag naakt bijvoorbeeld, maar ik kan niet naakt door het dorp lopen. Dat gaat te ver. Maar in het bos kan het wel. Als je naakt bent, is je complete oppervlakte vrij voor ervaring. Het zou mooi zijn als iedereen naakt rondliep. De Bondsdag wordt centraal verwarmd dus alle mensen die daar werken zouden naakt kunnen zijn. Hoe ze eruitzien, doet er niet toe. Als ik naakt ben, ben ik ook niet meer een prachtige jonge gestalte. Dat is nu eenmaal zo.”

De roem komt laat in het leven van de vries, inmiddels ver over de tachtig. „Ik word nu een beetje ontdekt schijnbaar”, zegt hij lacherig. Behalve in Venetië exposeert hij dit jaar nog op talloze andere plekken, van New York tot Berlijn, van Amsterdam tot Arnhem. „Ik ben er erg blij mee, maar het brengt onwaarschijnlijk veel onrust met zich mee. Ik ben graag ver van de kunstwereld. Ik hoef niet elke dag mensen te zien, niet elke dag te praten.”

De vries wijst de weg naar Die Wiese. Wij rijden tot we niet meer verder kunnen, lopen over kale aarde naar de begroeide grond, kruipen tussen de takken door. Binnen is een open plek beschut tegen wind en blikken. Er staat een klein schuurtje, een schragen tafel, een paar fruitbomen. Een appelboom? Alles lijkt ingelijst. Zonder de vries is het hier al de vries aan het worden.