In de huid van detulp

Het Leidse gezelschap De Veenfabriek speelt ‘Tulpmania’ met Asko|Schönberg en Slagwerk Den Haag in een gigantische bollenhal in Voorhout. „Het is van de gekke.”

Repetitie van ‘Tulpmania’, muziektheaterproject van de Veenfabriek & Asko|Schönberg. Gespeeld in Voorhout. Foto Leo van Velzen

De enorme hal is een en al bedrijvigheid. Overal staan stapels kratten en pallets, stellingen vol machinerie, rolbanken waar normaliter ontelbare bollen overheen stuiteren. Nu worden de rollers toegedekt met fleurig beplakte planken, die dienst moeten doen als eettafels. Een amateurkoor oefent een listige bewerking van Vader Jacob, terwijl een slagwerker knipt met een heggenschaar. Musici verslepen hun instrumentarium van hot naar her, acteurs rennen rond met microfoontjes op hun wang. Verderop in de hal, gelegen in Voorhout, een dorp bij Leiden, zijn koks bezig een driegangenmaaltijd te bereiden. Iemand test de schommel boven het catwalkachtige podium.

Temidden van dit alles beent regisseur Paul Koek (1954) van theatergroep De Veenfabriek onvermoeibaar van de ene hoek naar de andere, eerder een vakbondsman dan een generaal. De hal van Moolenaar, een van de grootste bollenexporteurs ter wereld, is de set van zijn voorstelling Tulpmania. „Ik wil een werkende locatie laten zien”, vertelt Koek. „Alles wat je hier ziet komt uit het bedrijf, we mogen alles gebruiken.”

Tulpmania, met muziek van componist Yannis Kyriakides en tekst van dichteres Saskia de Jong, is theater over het verlangen naar schoonheid, over hebzucht – én over hoe het is om de hele dag op je knieën in de bedden te zitten. De voorstelling omvat ook een uitgebreid diner, gevolgd door een korte voordracht door wisselende gastsprekers. In het diner, verzorgd door de Bostel Brothers, wordt de reis van de tulp terug naar zijn oorsprong, Kazachstan, gevolgd: van Hollandse groene asperges met remoulade dip, via Turkse bulgur met groentestoof en lam, tot een Kazachstaanse donut als dessert. De tulp terugbrengen, noemt Koek dat.

Hoe kon een wilde bloem uit de bergen van Kazachstan uitgroeien tot Nederlands trots? Simpel, aldus Koek: wij hebben de beste grond. Niettemin voorziet hij het koor in de voorstelling van oranjekleurige hoofddeksels uit alle delen van de wereld, van fez tot alpinopet. „Want ons nationale symbool hebben we ook maar gejat.”

De Hollandse tulpenmanie in de Gouden Eeuw heeft naam gemaakt als de eerste economische bubbel in de geschiedenis. Er werd gespeculeerd op tulpen die nog in de grond zaten, en rond het hoogtepunt in 1637 zou één enkele bloembol net zoveel waard zijn geweest als een grachtenpand – waarna de zeepbel uiteenspatte. De parallellen met het heden liggen voor het oprapen, maar Koek benadrukt dat het in Tulpmania niet primair om de economische crisis gaat: „Het gaat echt om de túlp.”

Cast in bloei

Koek schetst het voorstellingsverloop: gekleed in bodywarmers van Moolenaar komen er twintig ‘Polen’ binnen – acteurs en muzikanten die beginnen met spelen. Even later veranderen deze Poolse werknemers in zakenmannen, die op hun beurt veranderen in apen – zo werden zakenmannen ten tijde van de historische tulpenmanie afgebeeld. Wanneer de metamorfose voltooid is, staat de hele cast in bloei: „We beginnen als arbeiders en we eindigen als tulpen.”

De Bollenstreek zelf zit ook in de voorstelling. Dramaturg Paul Slangen en acteur Joep van der Geest hebben interviews afgenomen met zo’n twintig bewoners van de geestgronden die werkzaam zijn als veredelaar, kweker of tussenpersoon. „Twee acteurs spelen die interviews na op een karretje dat door een Pool wordt rond geduwd”, legt Koek uit. „De acteurs horen opnames van die interviews via hun oortje, omdat ik wil dat ze de precieze timing nabootsen, alle euhs. De eerste keer dat ze dat deden gleed ik van mijn stoel van het lachen. De mensen praten hier op een bepaalde manier. Je bent meteen bij ze thuis.”

Componist Yannis Kyriakides (1969) doorkruist de hal kalm maar alert, rolt een shagje, bespreekt met een slagwerker het kloppen op de tamtam. Werken op zo’n gigantische locatie brengt een zekere anarchie met zich mee, geeft Kyriakides toe. „Ik heb genoeg muziektheater gedaan om te weten dat mijn partituur hier niet op zichzelf staat. Maar dat bevalt me juist wel, het is niet zo gecodeerd als in een concertzaal. Het luisteren is speelser. Ik vind het prettig om op die manier uitgedaagd te worden.”

Hij spitst zijn oren naar het koor dat verderop repeteert: „Hmm, daar moet ik misschien even heen.”

De bezetting is nogal ongewoon: accordeon, houtblazers, koperblazers, contrabas, slagwerker, sopraan, koor en live elektronica. „Ik wilde een volks ensemble”, verklaart Kyriakides, „geen deftige strijkinstrumenten, maar een soort fanfare. Daarom sprak het idee om met amateurkoren te werken me ook direct aan.”

Elk deel van zijn partituur heeft een eigen identiteit in relatie tot de teksten van De Jong, met veel ruimte voor gesproken woord. Semper Augustus, de naar de bekendste tulp vernoemde apotheose van de voorstelling, is juist een uitgesponnen bespiegeling over het verlangen naar eeuwigdurende schoonheid. De prachtige ode O bol is de enige echte aria.

Bloemencorso

Vandaag wordt tussen de repetities door gewerkt aan een opname van O bol, met een glansrol voor sopraan Jennifer van der Hart. Decorbouwer Theun Mosk heeft een praalwagen ontworpen die namens Tulpmania in de optocht van het bloemencorso zal meerijden, met Kyriakides’ muziek uit de speakers, waarna de wagen deel wordt van het voorstellingsdecor.

Te midden van de spelende musici staart Koek peinzend voor zich uit. Hij was van plan hen bij de uitvoering van O bol verspreid in de ruimte op te stellen, maar de twijfel slaat nu toe. „Verdomme, dat is mooi, allemaal samen”, zegt hij na de opname. „Misschien moeten we dit tóch op de kop van het podium spelen, met z’n allen bij elkaar.”

„Wanneer je verspreid staat verlies je ritmisch detail”, zegt Kyriakides. „Maar de poging van het oor om focus te vinden in de ruimte vind ik ook interessant.”

Zulke knopen moeten nog doorgehakt. Koek is niet het type regisseur dat genadeloos zijn wil oplegt. Hij kijkt, denkt, overlegt, niet bang van mening te veranderen. En hij geeft iedereen verantwoordelijkheid: „In het begin vinden sommigen dat lastig. Maar uiteindelijk speelt iedereen daardoor in zijn kracht.”

De tulp zit op verschillende manieren in Kyriakides’ muziek. Ook letterlijk: hij heeft zo’n 2.000 tulpennamen omgezet in noten, een laag die voortdurend in de muziek aanwezig is. Daarnaast gebruikt hij het liedje Tiptoe through the tulips, meestal in gecamoufleerde vorm, maar op zeker moment ook duidelijk herkenbaar. In overdrachtelijke zin heeft Kyriakides zich bovendien laten leiden door het beeld van in de bol sluimerende schoonheid: veelvuldig klinken er lange lijnen die plotseling open bloeien.

„Wij zijn maar heel klein”, zegt Koek over zijn gezelschap de Veenfabriek. „Om dan zo’n grote voorstelling op locatie te maken, een maand lang, met 300 gasten per avond – dat is wel een beetje van de gekke. Het is eigenlijk waanzinnig. Maar dan kijk ik om me heen en zie ik al die retegoeie musici van Asko|Schönberg en Slagwerk Den Haag: die vinden dit gewoon leuk.”