Hét model voor opvang

In Amsterdam zit een groepje uitgeprocedeerden in kleinschalige opvang, gerund door particulieren. Goedkoper, rustiger – dit lijkt hét alternatief voor bed-bad-brood.

Vergeet bed, bad en brood. De nachtopvang waar politiek Den Haag vandaag het papieren kabinetscompromis van bespreekt, is in werkelijkheid een marginale bedoening.

In Amsterdam lopen naar schatting tussen de vijf- en tienduizend vreemdelingen zonder verblijfspapieren rond. Tussen de 250 en de 300 van hen hebben de afgelopen tweeënhalf jaar onder het motto We Are Here openlijk gedemonstreerd tegen het asielbeleid. En hoeveel mensen zitten er in de bed-bad-broodregeling? 76. Van de groep We Are Here zijn er, vanuit de ellendige Vluchtgarage, niet meer dan vijf vluchtelingen naar de nachtopvang gegaan. De rest zit weer in kraakpanden, kerken en andere particuliere panden.

De Wittenberg in Amsterdam is een voorbeeld van zo’n pand. Het voormalige verzorgingstehuis aan de Kerkstraat is „de mooiste opvang waar ik ooit ben geweest”, zegt Abebe. De Ethiopiër woont met zo’n dertig anderen op de begane grond van het achttiende-eeuwse complex. Erboven wonen 25 studenten antikraak. Het pand zal worden omgebouwd tot een appartementencomplex voor expats. Tot die tijd kan de Lutherse Diaconie, eigenaar van de Wittenberg, de kleine groep vluchtelingen herbergen.

De overkapte binnenplaats, met de buste van Maarten Luther in de hoek, is keuken, eetzaal en fietsenreparatieplaats tegelijk. Hier zet de Eritreeër Reeda koffie en thee voor de gasten: Hanne Wilzing, secretaris van de Lutherse Diaconie, sociaal werker Henk Griffioen en Freek Salm aan wie de Diaconie de dagelijkse coördinatie heeft toevertrouwd. In de gangen eromheen liggen de kamers. Abebe laat zijn kamer zien. Een bed, een stoel en op de grond een matras waar zijn kleren en spullen liggen. „Hahaha, dat is je kast”, lachen zijn medebewoners. In het kamertje ernaast slaapt ook één man, op de stoel liggen een tube tandpasta en een stripje paracetamol.

Terugkeren kán gewoon niet

Deze mensen zijn het gezicht van het compromis, zegt Wilzing. „Zij verbeelden de discrepantie tussen het asielbeleid en de werkelijkheid.” Het beleid wil dat wie niet in Nederland mag blijven, het land verlaat. De realiteit is dat een heleboel mensen niet terug (kunnen) gaan. Sommigen hebben het geprobeerd, zij slepen stapels documenten van adres naar adres mee, met daarin de bewijzen dat zij hebben geprobeerd terug te keren naar hun land en dat de ambassade ze heeft afgewezen. Onbegrijpelijk, zegt Griffioen, dat de overheid zo zuinig is met zogeheten ‘buitenschuldverklaringen’ voor vluchtelingen die echt niet terug kunnen.

De Eritreeërs en Ethiopiërs in de Wittenberg zeggen dat terugkeer te gevaarlijk is. Het Ethiopische regime is zo autoritair, dat onlangs in Addis Abeba een demonstratie door het leger uiteen geschoten werd – demonstranten die protesteerden tegen de wreedheden van IS, helemaal niet tegen het regime. „Mensen zijn uit ons land zelfs naar Jemen gevlucht”, zegt Abebe. „Een van de armste landen van de wereld. Hoezo goudzoekers?”

En: voor de helft van het geld

Kleinschalige opvang zoals in de Wittenberg is volgens Henk Griffioen hét model voor asielopvang. „Die grote groep van We Are Here was moeilijk te managen. Dit groepje organiseert zichzelf. Ze doen hun eigen boodschappen van ons leefgeld. Ze hebben een kookrooster. Wij hebben er nauwelijks omkijken naar.”

En, zegt Freek Salm: „Voor de helft van het geld. De bed-bad-broodregeling kost in Amsterdam zo’n 60 euro per persoon per nacht, inclusief twee kaartjes voor het openbaar vervoer. Hier zitten we op 30 euro.” In Amsterdam Zuidoost zijn twee appartementen in de flat Hoogoord, met tien vrouwen en vijf mannen. „Daar kost het nog geen 20 euro”, zegt Griffioen.

De Eritreeërs en Ethiopiërs hebben zich vorige zomer onder de naam Smaragdgroep afgesplitst van We Are Here. Dat wilden ze eigenlijk al doen in de zogeheten Vluchtkerk, zegt Abebe. Daar zat de groep in de winter van 2012/2013 in een lek en winderig kerkgebouw met tegen de tweehonderd mensen. „Elke twee dagen laaide er wel ergens een ruzie op”, zegt Griffioen. „Al die verschillende culturen”, zegt Abebe. „Ethiopiërs en Eritreeërs zijn bedaarde, bescheiden mensen. Anderen zijn soms meer een uitdaging. Wij hebben van de grote groep afscheid genomen, omdat we bang waren dat het fataal uit de hand zou lopen. En dat was voordat in de Vluchtgarage een van de bewoners bij een vechtpartij werd doodgeslagen.” Het ligt niet aan religie of nationaliteit, vult Griffioen aan. „Als de groep klein genoeg is, kunnen ook Ethiopiërs, Eritreeërs en Somaliërs samenleven.”

Terug naar het land van herkomst

De kerken – en andere vrijwilligers – helpen hen, onder protest, zegt Hanne Wilzing. „Wij vinden dat er een fatsoenlijke regeling moet komen. Maar zo lang die er niet is: onze naaste is nooit een last, zeggen wij altijd. Maar wij moeten er wel met de collectebus voor rond.” Griffioen zegt dat hulporganisaties als het Rode Kruis, De Regenboog en het Leger des Heils met de kerken hebben besproken dat zij gezamenlijk de lokale bed-bad-broodregeling wel zouden willen aanvullen. Naast de door de gemeente gefinancierde nachtopvang zouden zij dan een dagprogramma opzetten en de nodige (juridische) begeleiding verzorgen.

In de Rotterdamse Pauluskerk gebeurt dat al. En met succes, eenderde van de vluchtelingen daar keert terug naar het land van herkomst, bijna een kwart krijgt alsnog een verblijfsvergunning. Burgemeester Van der Laan van Amsterdam aarzelt: de dertig vluchtelingen daar steken nogal mager af bij de honderden demonstratieve ongedocumenteerden van We Are Here.

Op tafel liggen opgaven van de Nederlandse les: kijk naar het plaatje en vul in de zinnen de juiste voorzetsels in. In de afgelopen jaren hebben de meeste mensen die hier koffie en thee drinken maandenlang opgesloten gezeten in de zogenoemde vrijheidsbeperkende locaties – gevangenissen van de vreemdelingenpolitie, waar ze volgens Reeba „achttien uur per dag de deur op slot doen”. Dat ze er ten slotte uit zijn gelaten en op straat gezet, laat zien dat ook de overheid ze niet het land uit krijgt. En intussen heeft ongeveer een kwart van de mensen die ooit, officieel geregistreerd, in de zogenoemde Vluchthaven zaten, alsnog een verblijfsvergunning gekregen. „We zijn vooruitgegaan”, zegt Abebe. „Iets.”