‘Geen geluiden, ze moet dood zijn’

In het dorp Sankhu staat na de beving weinig meer overeind. Puin wordt steentje voor steentje afgegraven.

Hulpverleners redden vanochtend Pema Lama (15), die sinds de aardbeving van zaterdag onder het puin lag van het Hilton in Kathmandu. Buiten de hoofdstad verlopen de reddingswerkzaamheden moeizaam. Foto Adnan Abidi/Reuters

Op het eerste gezicht valt het mee, maar voorbij de eerste huizen van het dorp staat vrijwel niets meer overeind. Van een groep van tien huizen staan er nog maar drie. Allemaal vertonen ze lange, diepe scheuren in de gevel.

De mensen in het dorp hangen doelloos rond. Hun huizen zijn verdwenen of onbewoonbaar. „We hebben hier alleen onze militairen gezien, maar die hadden niets voor ons bij zich”, zegt Pradeep Baidya bij een geïmproviseerde tent.

De families uit de getroffen huizen bivakkeren in een laag, veilig, schoolgebouw, met een groot open grasveld. Hij kookt rijst. „We hebben nog één zak rijst. We kregen er vier van een handelaar uit de stad.” Een particulier waterbedrijf kwam water brengen. „Voorlopig hebben we daarvan genoeg.”

Gisteren kwam het leger langs in Sankhu, dat zo’n tien kilometer van Kathmandu ligt en goed bereikbaar is. Bij het ingestorte groepje van tien huizen haalden de militairen twee mensen levend uit het puin. Ze borgen tien doden. Hoeveel doden er in het hele dorp zijn gevallen, weet Baidya niet. „Maar er ligt nog een meisje onder het puin hier. De militairen hebben op drie plekken gezocht, maar ze konden haar niet vinden. We horen geen geluiden. Ze moet dood zijn.”

Zo gaat het op veel plaatsen. Het officiële dodental steeg vandaag tot boven de 5.500 maar blijft oplopen.

Mensen in Sankhu zijn bezig spullen uit de puinhopen te halen. Een man rolt een gasfles uit zijn gehavende huis. Een jonge vrouw gaat een half verwoest pand binnen – de gevel staat nog overeind, daarachter is het grotendeels ingestort – en komt terug met twee jassen, eentje met capuchon. Die komen goed van pas. De lucht kleurt weer donker, er komt een onweersbui aan.

Suraj Prajapati staat bij zijn ouderlijk huis, waar het meisje, een van zijn nichtjes, ze is acht jaar, wordt vermist. Hij heeft de aardbeving overleefd omdat hij zaterdagochtend, toen het gebeurde, op straat was. Het huis is veranderd in een enorme berg van stenen, verwrongen metaal en zwartgeblakerde balken. Zijn moeder staat naast hem. Ze draagt gouden oorringen, het enige waardevolle dat ze nog heeft. Er hangt een lijkengeur.

Juist op dat moment arriveren drie legertrucks. Er komen militairen uit en een Chinees reddingsteam in blauwe overalls. Ze gaan rechtstreeks af op de plek waar het meisje onder het puin ligt. Steentje voor steentje wordt het afgegraven. Voorzichtigheid is geboden, want een aanpalend huis vertoont scheuren die van onder tot boven door de gevel lopen. Uren later hebben ze nog niets gevonden.

Terwijl ze bezig zijn, adviseert een Singaporees medisch team in militaire uniformen, gevolgd door een Frans team in rode jacks. Terwijl we ons door de brokstukken worstelen om het dorp te verlaten, trekt een Turks search and rescue-team binnen.

Maar aan die vier reddingsteams heeft Sankhu weinig. De teams brengen geen tenten, water en voedsel, zegt Pradeep Baidya. „Dat is wat we nu nodig hebben, van onze eigen regering. Hoe lang moeten we daar nog op wachten?”