Fouten bespreken zou niet moedig moeten zijn

De zaak-Tuitjenhorn maakt duidelijk dat het goed is naar studenten te luisteren. Rob van Gassel en Anna Verhulst willen dat artsen vragen: wat kan ik beter doen?

Met de woorden „ik ben co-assistent, zou ik met u mee mogen kijken?” zwaaien overal in de zorg de deuren open. Je kijkt tijdens je stage als oudejaars student geneeskunde mee bij spreekuren, assisteert bij operaties en mag zo nu en dan zelf iemand hechten of prikken. Dit alles onder de begeleiding van een arts, die alles wat je doet, beoordeelt en voorziet van commentaar. „Je moet wat harder duwen in die buik, vergeet niet te vragen of mevrouw rookt en - in hemelsnaam - stop met het dragen van die stethoscoop om je nek.” Die voortdurende feedback helpt je om beter te worden in het vak, je probeert jezelf als co-assistent constant te verbeteren. Het omgekeerde is ongebruikelijk: als co-assistent zal je niet snel de arts beoordelen en becommentariëren. Gek eigenlijk, want de co-assistent bekijkt de gang van zaken doorgaans met een frisse blik.

Dat het geven van feedback vaak eenrichtingsverkeer is, heeft deels te maken met de hiërarchie in de gezondheidszorg. De co-assistent bungelt ergens onderaan in de hiërarchie, wat kan een arts nou van zo’n beginneling leren? Daar komt nog eens bij dat de arts met wie je meeloopt, doorgaans ook jouw beoordelaar is: hij bepaalt of je slaagt of zakt voor je co-schap. Co-assistenten maken zich al snel zorgen dat een discussie over het handelen van de arts consequenties voor het vervolg van zijn of haar opleiding zal hebben.

Als je als co-assistent vraagtekens hebt bij het handelen van een arts en deze niet op de werkvloer bespreekbaar kunt maken, is het inschakelen van een vertrouwenspersoon of studieadviseur de volgende stap. Dit kan resulteren in een officiële melding, op basis waarvan het ziekenhuis of de universiteit verdere stappen onderneemt. Dat brengt soms een hoop teweeg, ook voor de co-assistent zelf.

„Daar was veel moed voor nodig, het was niet vanzelfsprekend”, zei minister Schippers over de melding van de co-assistent in Tuitjenhorn, die had gezien hoe een arts grote hoeveelheden morfine toediende bij een terminale patiënt. Er was inderdaad veel moed voor nodig om het incident te melden. En dat is nu juist de kern van het probleem. Twijfelachtig medisch handelen bespreekbaar maken, zou niet moedig moeten zijn, maar vanzelfsprekend.

De Geneeskundestudent (de onafhankelijke vertegenwoordiger van geneeskundestudenten ) riep in artsentijdschrift Medisch Contact artsen en opleiders eerder al op om het goede voorbeeld te geven. Door open te staan voor kritiek en ervoor te zorgen dat je elkaar durft aan te spreken. Dit alles in het belang van goede en veilige patiëntenzorg. Ook gynaecoloog Bertho Nieboer raadt in zijn column op artsenforum Discura collega’s aan hun co-assistenten aan te moedigen gevraagd en ongevraagd commentaar te geven. Hij noemt de co-assistent een „venster naar de werkelijkheid”.

Wij willen een cultuur waarin een co-assistent zich vrij voelt een arts aan te spreken op zijn functioneren, dat moet de norm zijn en niet de moedige uitzondering. Een arts die zijn co-assistent vraagt: „Wat had ik beter kunnen doen?”- daar is pas moed voor nodig!

Ondertussen mogen wij trots zijn op onze collega-co-assistent in Tuitjenhorn, die onder de zwaarste omstandigheden het goede voorbeeld gaf aan alle andere artsen van de toekomst. Als patiënt kan je alleen maar hopen dat het net zo’n integere en betrokken dokter is, die op dat ene cruciale moment aan jouw bed verschijnt.