Een goed gedicht wordt een prachtig liedje in je hoofd

Ellen Deckwitz geeft een cursus voor de lezers van nrc.next: Eerste Hulp bij het lezen van gedichten. Want heus, poëzie is mooi, niet moeilijk.

Illustratie Jenna Arts

Vruchtbaar worden is een uitputtend proces waardoor je soms niet weet wat je zegt. Toen ik afgelopen donderdag op het punt stond om aan een groep vermoeide veertienjarigen een workshop poëzie te geven, stak er eentje opeens haar vinger op en vroeg: „Waarom moeten we gedichten lezen? Songteksten zijn toch ook gedichten?” (Driftig geknik, rumoer omdat ze onder de les dachten uit te komen, geen idee hebbende dat ik ze tot in de pauze moest laten doorwerken). „Ja”, zei een ander, „Ik vind de liedjes van Bløf ook poëzie!”

Bij dat soort uitspraken krijg ik hetzelfde gevoel als toen ik een teug azijn nam om bij te komen van de film Boyhood. Maar los van de talige ellende die de band Bløf voortbrengt, is het geen rare gedachte dat poëzie en songteksten veel met elkaar gemeen hebben. Een liefde voor taal begint vaak met een tekst die je raakt, die precies omschrijft wat je voelt. Hoeveel agenda’s zag je vroeger niet volgekliederd met lievelingszinnen uit popmuziek? Neem nou ‘It’s better to burn out than to fade away’ (Neil Young), of ‘I'm breakin' all the rules I didn't make’ (Madonna) of, recenter : ‘I'm a nightmare dressed like a daydream’ (Taylor Swift).

Popteksten spreken jongeren doorgaans meer aan dan poëzie, omdat ze draaien om kwesties die de tienertijd en vroege adolescentie domineren (liefde, verdriet, de aanwezigheid van borsten), en een stuk makkelijker te volgen zijn dan het gemiddelde gedicht van F. van Dixhoorn.

Kijk, de kniesoor zou kunnen zeggen dat songteksten, hoe mooi ze soms ook zijn, in de eerste plaats songteksten blijven, omdat de tekst ondergeschikt is gemaakt aan de muziek. De taal wordt in allerlei bochten gewrongen om de boel maar rijmend en metrisch te krijgen. Muziek kan de meeste semantische ongelukjes wel maskeren (vooral als ze hard staat) maar als je het deuntje weghaalt, blijkt er toch echt te worden gezegd dat er vliegtuigstoelen zijn, ‘miljoenen bij bedoeling’.

Desondanks vormen mooie liedteksten vaak de basis voor een liefde voor taal. En wie een goede songtekst kan waarderen, kan ook dolgelukkig worden van poëzie. Zo begon het in ieder geval bij mij, toen ik veertien was en er op mijn best uitzag als een hoopje botten met acné. Ik trok me, geil en chagrijning, regelmatig terug op mijn kamer, om onder andere muziek te luisteren. Maar op een winterse donderdagmiddag sloeg ik in de schoolbibliotheek lukraak de bloemlezing Het wilde plein van de Zweedse dichter Tomas Tranströmer open en was voor het eerst door een tekst geraakt die niet was geschreven door Tori Amos of Kurt Cobain.

Nobelprijswinnaar Tranströmer (1931-2015) was kampioen in het maken van zinnen die iedereen aanspraken. Zijn oeuvre opent met de fantastische regel ‘Ontwaken is een parachutesprong uit de droom’ en dat is nog maar het begin. Het bijna-slippen met een auto omschrijft hij als ‘de seconden groeiden – er was ruimte daarbinnen - / ze werden groot als ziekenhuisgebouwen’. Míjn liefde voor Tranströmer begon met de zin ‘Wakker in het donker hoor je de sterrenbeelden stampen in hun stallen / hoog boven de boom’ uit het gedicht Storm (1954).

Wat een fantastische regel. Dat maakt de nachthemel een stuk dreigender. De zin verleidde me om de tekst opnieuw te lezen. Niet alleen waren er enorme constellaties die boven de wandelaar in hun stallen stampten, ook was er een eik als een ‘versteende eland’, met een ‘onmetelijk’ gewei. En het bos bleek geen clubje bomen meer, maar een ‘zwartgroene vesting’ in september, vlak voor de herfst begint. Uit het gedicht spreekt een landschap dat geheel bezield is en gevaarlijk voor het individu. Dat is dus precies zoals het schoolplein overkomt op de gemiddelde puber. De duisternis nadert, de wereld wordt steeds groter en fataler. Tranströmer beschreef een wereld die ik als eenzame en bange tiener al kende maar nooit zo scherp had kunnen verwoorden.

Liefde voor teksten begint vaak met het verliefd worden op zinnen. Om ze uit te printen, op je muur te schrijven, aan geliefden te sturen. Zoeken naar mooie regels is de beste manier om te beginnen met het lezen van gedichten. Gewoon, hup, bloemlezing of bundel openslaan, zacht potlood erbij en strepen maar. Ook al begrijp je het niet allemaal na een eerste lezing, door die ene mooie zin weet je instinctief dat de rest ook deugt. Iedere regel telt en gaat het gesprek met de andere regels aan.

Voor poëzie geldt hetzelfde als voor fietsen of verliefd worden: hoe vaker je het doet, hoe minder eng het wordt. Een gedicht wordt dan een prachtig liedje in je hoofd.

Zo fietste ik na het ontdekken van Tomas Tranströmer, in die kille winter van 1996, naar huis. Nog steeds gedeprimeerd en alleen, maar ervan overtuigd dat er hoop was. Omdat er te lezen viel. Omdat er poëzie bestond. Wat betekende dat er ondanks alles, nog steeds te praten en te onderhandelen viel en de wereld heel even iets minder dreigend leek, dan ze tot dusver was geweest.