Architectuur nieuwe Whitney is dienstbaar aan de kunst

Het Whitney Museum in New York heeft een nieuw gebouw. Omringd door dure boetieks, trendy restaurants en prijzige kunstgaleries vragen de curatoren zich af: „Wat is Amerikaanse kunst?”

Boven, links op tweede rij en rechtsonder: Bezoekers bij de opening van het museum.

Een „olietanker” is het exterieur van het nieuwe gebouw van het Whitney Museum al genoemd. Een vrachtschip, een cruiseschip, een arctische ijsbreker. De nautische kwalificaties zijn niet los te zien van de ligging van het door sterarchitect Renzo Piano ontworpen museum: pal aan de Hudson River, aan de westkant van Manhattan. Kunstcriticus Jerry Galtz vergeleek het gebouw in New York Magazine met „een ziekenhuis of een farmaceutisch bedrijf”. En: „Het onbepaalde uiterlijk van het gebouw suggereert dat het Whitney niet gevoelig is voor ijdelheid, grandeur of architectonisch sterrendom. Het museum zet in op wat binnen gebeurt.”

Van binnen voelt het nieuwe Whitney, dat zaterdag officieel opent, inderdaad meer als een plek die bedoeld is voor kunst en kunstenaars dan als een museum waarin de architectuur concurreert met het getoonde werk – kritiek die bijvoorbeeld het Tate Modern in Londen, het Guggenheim in Bilbao of het nieuwe Stedelijk in Amsterdam ten deel valt. Dat het gebouw 422 miljoen dollar heeft gekost, heeft dan ook vooral te maken met de uitzonderlijke kosten om de collectie te beschermen tegen een eventuele nieuwe orkaan en de stijgende zeespiegel. Het enige frivole in het gebouw zijn de door wijlen Richard Artschwager ontworpen liften. Voor het overige vergeet je al rondlopende het gebouw. Alleen de kunst spreekt er.

Van de vier grote New Yorkse musea heeft het Whitney in zekere zin de eenvoudigste missie. Het statige Metropolitan Museum of Art is gespecialiseerd in 5.000 jaar kunstgeschiedenis. Het Museum of Modern Art (MoMA) wil een encyclopedie van het modernisme zijn. Bij het Guggenheim draaien alle activiteiten om het excentrieke gebouw – wat tot een nogal eclectische programmering leidt. Het Whitney gaat daarentegen louter over kunst uit de Verenigde Staten. „Het Whitney is geen gebouw, het is een idee”, zei hoofdcurator Donna De Salvo vorige week tijdens een persrondleiding. „Dat idee is een vraag: wat is Amerikaanse kunst?”

In de openingsexpositie America is hard to see, die het hele gebouw beslaat, komt die vraag meteen pontificaal aan de orde. In 600 werken van 400 kunstenaars uit de eigen collectie gaan we 150 jaar terug in de Amerikaanse geschiedenis. Dat voert langs optimistisch ogend werk van expressionisten als Lee Krasner en Willem de Kooning, maar ook door donkere secties over de oorlog in Vietnam, de aidscrisis of de Amerikaanse reactie op 9/11. Zo is de tentoonstelling meer in de weer met de verbeelding van de moeizame geschiedenis van een natie dan dat het een overzicht is van abstract expressionisme, pop-art, minimalisme en al dies meer. Het Whitney was al nooit een museum met ruimte voor ‘ismes’; het nieuwe gebouw helemaal niet.

America is hard to see bevat ook de nodige verrassingen: meer dan een kwart van het werk is al decennia niet meer getoond, of zelfs nog nooit. Het leidde tot grote opwinding bij de eerder aangehaalde Jerry Galtz: „Het is ronduit spannend om Willem de Koonings Door to the River te zien – misschien wel het beste werk in termen van pure originaliteit in het museum momenteel – en Rothko’s geweldige schilderij Four Darks in Red dat licht geeft als een boeddhistisch televisietoestel, terwijl Hedda Sternes New York, N.Y., 1955 absoluut hedendaags oogt.”

Nostalgie

Nostalgici zullen ongetwijfeld met enige weemoed terugdenken aan het oude, door Marcel Breuer in 1966 ontworpen Whitney op Madison Avenue — in de deftige Upper East Side, op een steenworp van het Met en Guggenheim. Het nieuwe gebouw ligt in het Meatpacking District, een door designerboetieks en trendy uitgaansgelegenheden gedomineerde buurt. Maar de expositieruimtes in het nieuwe gebouw zijn genereuzer en flexibeler dan de bonkige ruimtes in ‘het Breuer’, terwijl de lichte, houten vloeren warmer zijn dan het beton van voorheen. Bovendien zorgen de vele terrassen en open trappen ervoor dat het nieuwe Whitney veel beter geïntegreerd is in zijn omgeving dan het oude Breuer dat ooit was.

Ruim 4.500 vierkante meter expositieruimte lijkt veel: het is een verdubbeling van het aantal vierkante meters in het oude Breuer. Daar voelde de ruimte met een jaarlijks bezoekersaantal van gemiddeld 350.000 vaak al krap. Maar het nieuwe Whitney verwacht – mede dankzij de aanloop van zes miljoen bezoekers van High Line, het nabijgelegen park – drie keer zoveel bezoekers te gaan ontvangen. Dat wordt pas echt dringen.