Waar wij wonen is veel meer ingestort

Het is chaos in Kathmandu. „We horen dat de hele wereld hulp stuurt, maar waar is die hulp?”

Op de geteisterde stenen trap rond het fundament van de historische Dharahara-toren staat een man met een honkbalpetje op. Hij neemt foto’s met zijn telefoon. Hij staat met zijn rug toegekeerd naar wat eens de toren was. Het gevaarte van ruim zestig meter hoog is in brokken uiteengeslagen toen het zaterdagochtend als een luciferhoutje afbrak tijdens de zware aardbeving die Nepal trof. Het dodental is inmiddels ver voorbij de vierduizend. Over het aantal vermisten, met name in de zwaar getroffen dorpen op het armoedige platteland, durft niemand iets zinnigs te zeggen.

De man fotografeert de puinhoop en de honderden Nepalezen die erin aan het graven zijn. Een brokstuk heeft het dak van een auto verpletterd.

„Hier was een markt”, zegt Dinesh. Hij wijst. Er ligt nu alleen maar puin. Vanonder een enorm brok van de toren is een groen stuk stof zichtbaar. Is het kleding? Een doek van een marktkraampje? „Er is al gezocht naar overlevenden”, zegt Dinesh. „Ze hebben er maar twee uit het puin gehaald.” Niemand weet precies hoeveel doden er zijn gevallen toen de toren instortte. Het zouden er honderdvijftig kunnen zijn, of tweehonderd. Toen de aarde begon te trillen was het er druk. Niet alleen op de markt aan de voet van de toren, ook in het gebouw zelf. „Op de top was een plateau waarvandaan je over de stad kon uitkijken”, zegt Dinesh. Volgens hem waren er vooral Nepalezen in de toren toen die instortte. „Zaterdags maken veel mensen hier uitstapjes.”

Zoeken naar bakstenen die intact zijn

Maar als de reddingswerkzaamheden al zijn voltooid, wat doen die honderden mensen dan op de puinhopen? „Ze zoeken naar bakstenen die nog intact zijn”, zegt Dinesh. Twee jongens zijn bezig het cement van stenen af te bikken. Trots laten ze hun vondst zien: rode bakstenen met daarin Nepalese tekens, „van Bhimsen Thapa”, zegt één van hen. De voormalige premier Bhimsen liet de witgepleisterde toren bouwen ter ere van koningin Lalit, die zo graag een paleis in Europese stijl wilde. Verderop in de puinberg hangt de weeïge geur van de dood. Het kan haast niet anders of hier liggen nog lijken, van mens of dier.

Dinesh is manager van een hotel vlakbij het vliegveld. „Ik wil dat de internationale gemeenschap weet wat hier gebeurt. Dat iedereen ziet hoe onze overheid de mensen in de steek laat.” Midden in de stad is een park waar honderden mensen hun toevlucht hebben gezocht.

De gebouwen dáár zijn stevig

Met plastic zeil en stokken hebben mensen geïmproviseerde tenten gemaakt waaronder hele families bivakkeren. Overal liggen lege flessen, blikjes en plastic verpakkingen. De mensen kopen chips en instant noodles bij kraampjes. Er is net een onweersbui geweest. Afval en modder hebben zich vermengd tot een grijze brij. Het stinkt naar uitwerpselen. Er zijn geen wc’s. „Epidemic, epidemic”, zegt een oude man, en hij knijpt zijn neus dicht.

Een vrouw wiegt haar baby en staart voor zich uit. Haar man is verontwaardigd. „We horen dat de hele wereld hulp stuurt, maar waar is die hulp? Wij hebben hier nauwelijks drinkwater en vers voedsel. Misschien kunnen we tenten krijgen van het Rode Kruis.”

„We zien reddingsteams in de straten rond het park”, zegt een ander. „Maar de gebouwen daar zijn nieuw en stevig. Wij wonen in een oude wijk, Baktapur. Bij ons is veel meer ingestort.” Hij vertelt dat zijn eigen huisje nog overeind staat, maar dat de muren vol scheuren zitten. „Het is veel te gevaarlijk om er te slapen. Zelfs zonder naschokken kan het dak zomaar naar beneden komen.” Er zijn in Baktapur veel doden gevallen, zegt hij. „Gisteren hoorden mensen nog geluiden vanonder het puin. Maar in Baktapur hebben we nog geen reddingsteams gezien.”