Utrecht toont top van kerkelijke naaldkunst

Foto’s Catharijneconvent Utrecht

Een wonderlijke processie trok onlangs door het Catharijneconvent. Met om de schouders een rijkversierde koorkap schreed een rijzige gestalte behoedzaam door de zalen en gangen van het museum. Het was echter geen priester of bisschop die de stoet aanvoerde, maar een museummedewerker; zijn gevolg bestond niet uit kerkgangers, maar uit conservatoren en journalisten (een filmpje staat op de website van het museum). De optocht was deel van de inrichting van de expositie over middeleeuwse weef- en borduurkunst. Voor het transport van depot naar zaal was gekozen voor de meest natuurlijke manier om zo’n eeuwenoud en kwetsbaar gewaad te vervoeren: door het zelf aan te trekken. Ook in de tentoonstelling zijn het paspoppen die de misgewaden dragen. Ze staan op lage podia en zijn niet door vitrines gescheiden van de beschouwer, die daardoor vrij zicht heeft op bijzondere stoffen, exquise weefsels, en verfijnd geborduurde decoraties.

Met ruim veertig gewaden en enkele tientallen fragmenten daarvan, toont het Catharijneconvent zijn topstukken op het gebied van de kerkelijke naaldkunst uit de late vijftiende en vroege zestiende eeuw in de Nederlanden en het aanpalende Rijnland. De catalogus vormt de weerslag van een uitvoerige onderzoekscampagne naar aspecten als materialen, technieken, de verzamelgeschiedenis van dergelijke ceremoniële kledingstukken, en de relatie van de geborduurde voorstellingen met de schilder- en beeldhouwkunst uit dezelfde periode. Ook in de expositie is aandacht voor zaken als katholieke liturgische gebruiken en een reeks fascinerende stoffragmenten zoals die al in de vroege Middeleeuwen uit streken als China, Perzië, Byzantium en Italië werden geïmporteerd.

Maar de tentoonstelling komt pas goed op stoom in de zalen met complete paramenten, waar ze worden gepresenteerd in een bont decor van tapijten en baldakijnen, die onmiskenbaar verwijzen naar de luister van de katholieke eredienst. Een Noord-Nederlands kazuifel uit 1500-1525, bijvoorbeeld, toont op de rugzijde een gaffelkruis met in een doorlopend landschap scènes van de kruisiging van Christus. Het paars van de stof waarop het kruis is aangebracht, is de liturgische kleur voor de vastentijd, waarbij de voorstellingen dus mooi aansluiten.

Nog indrukwekkender is een verzameling van vier gewaden die in de tweede helft van de vijftiende eeuw zijn gemaakt voor David van Bourgondië die toen bisschop van Utrecht was. Het zogenaamde ‘vierstel’ bestaat uit de gewaden die de priester (het kazuifel) en twee diakenen (de dalmatiek en de tuniek) dragen bij het opdragen van een plechtige mis, plus een mantel (de koorkap) die werd gebruikt op hoogtijdagen en bij processies. De stof is Italiaans rood fluweel voorzien van een patroon van distels en granaatappels in immens kostbaar gouddraad. Daarop zijn decoratieve banden genaaid met, als kleine schilderijtjes, kleurige voorstellingen van heiligen en bijbelscènes. De kunstlievende bisschop David gaf er astronomische bedragen aan uit, en liet zijn familiewapen en persoonlijk embleem er prominent in verwerken. Uit de zeldzaam complete documentatie die over dit vierstel is overgeleverd valt bovendien op te maken dat de belangrijkste Utrechtse borduurwerker van dat moment, Jacob van Malborch, eraan heeft meegewerkt. David van Bourgondië nam, voor God en zijn eigen zielenheil, alleen genoegen met het allerbeste.