Slechts helft zorgbezuiniging lukt

Onderzoek van de Algemene Rekenkamer bevestigt dat zorgkosten zich slecht laten beheersen én dat besparingen slecht worden bijgehouden.

Slechts de helft van de bezuinigingen op het basispakket die kabinetten sinds 2006 hebben aangekondigd, zijn ook daadwerkelijk behaald. Van de beoogde half miljard euro besparing die met het schrappen van vergoedingen werd beoogd, is naar schatting slechts 250 miljoen gerealiseerd.

Dat blijkt uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Volgens de toezichthouder heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onvoldoende zicht op de effectiviteit van versoberingen in de basispolis.

Zo werd in 2009 gerekend op een bezuiniging van bijna 100 miljoen euro per jaar toen cholesterolverlagers minder royaal vergoed werden. Maar dat leverde uiteindelijk slechts eenvijfde van het bedrag op, schat de Rekenkamer.

Het is dikwijls onduidelijk waarom besparingen niet zijn gelukt. Soms blijken patiënten over te stappen op alternatieven die wel vergoed worden. Ook komt het voor, zoals bij de cholesterolverlagers, dat patiënten na verloop van tijd goedkope cholesterolverlagers toch weer vervangen door duurdere – met instemming van hun arts – klaarblijkelijk omdat het goedkopere middel bijwerkingen heeft. „Wij moesten eerst zoeken naar goede gegevens over de gerealiseerde bezuinigingen, want die waren niet voorhanden”, zegt Kees Vendrik, collegelid van de Algemene Rekenkamer. „Wij hebben tegen de minister gezegd: het ware logisch als je de realisatie van grote pakketmaatregelen wel volgt.”

Zelfs bij grote ingrepen, zoals het uit het basispakket halen van fysiotherapie blijkt achteraf niet te zijn gekeken wat de financiële effecten daarvan geweest zijn. Vendrik noemt het niet verstandig dat er niet systematisch over zulke maatregelen wordt gerapporteerd „want die maatregelen zijn bedoeld om financieel resultaat te behalen.” Het onderzoek van de Rekenkamer is het derde van een reeks over de zorguitgaven. Eerder onderzocht het Hoge College van Staat onder meer de ziekenhuisuitgaven. De Rekenkamer constateerde in een eerder stadium dat de zorguitgaven beperkt beheersbaar zijn.

In 2013 werd voor het eerst in jaren minder geld aan zorg uitgegeven dan begroot. Er ging 64,6 miljard euro naar de zorg in plaats van de verwachte 65,8 miljard. Vendrik noemt dit een lichtpuntje. „Want de afgelopen vijftien jaar waren er stelselmatig overschrijdingen van de begrote uitgaven. Misschien is de trend gekeerd, maar we weten het niet zeker. Wat sowieso blijft is dat een steeds groter deel van de publieke uitgaven naar de zorg gaat. Zoals econoom Flip de Kam laatst al eens treffend zei: de zorg is het koekoeksjong van de collectieve uitgaven.”

Vendrik is voorzichtig omdat al langer bekend is dat de minister van Volksgezondheid in een laat stadium zicht heeft op eventuele tegenvallers, waarbij ook vaak onduidelijk is wat de oorzaken daarvan zijn. „Mede daardoor is het zo moeilijk voor de minister om het budgettair kader van zorg te handhaven, want de minister mist goede informatie om op tijd in te grijpen.”

Hij wijst erop dat de uitgaven aan geneesmiddelen de laatste jaren steeds meevallen, terwijl de uitgaven aan ziekenhuizen en medisch specialistische zorg juist minder beheersbaar blijken te zijn. „Die uitgaven zijn het moeilijkst voor de minister te beheersen.

Het Zorginstituut Nederland, het voormalige College voor Zorgverzekeringen dat gefinancierd wordt door het ministerie van Volksgezondheid, wordt steeds belangrijker in het beleid. Het instituut geeft vaak op verzoek van zorginstellingen of zorgverzekeraars oordelen over behandelingen, of die wel of niet vergoed moeten worden. Dat heeft eveneens grote gevolgen maar Vendrik plaatst vraagtekens bij de mate waarin die standpunten „democratisch en maatschappelijk” gedragen worden.

„Het roept de vraag op in hoeverre het Zorginstituut aanspreekbaar is op zijn standpunten. Hoe is de procedure als burgers of verzekeraars een geschil hebben? Die vraag zal de minister moeten beantwoorden en uiteindelijk de Tweede Kamer. Wij doen de indringende aanbeveling dat te verduidelijken.”