Column

Schrijversruzie

De controverse in de schrijversorganisatie PEN American Center doet in de verte denken aan de rel in 1956 in de Nederlandse afdeling van PEN. Ook toen kwamen schrijvers fel tegenover elkaar te staan in een morele kwestie met een politieke lading.

De Sovjet-Unie was Hongarije binnengevallen om een opstand tegen het communistische regime te onderdrukken. De emoties liepen ook in Nederland hoog op. Henk van Gelder schreef er uitgebreid over in zijn biografie van Simon Carmiggelt: „Wie niet zonder dralen de invasie afkeurde, was verdacht.” Dat gold voor schrijvers als Jan Romein, Annie Romein-Verschoor, Nico Donkersloot, Willem Nagel, Theun de Vries en Jacques Presser.

Carmiggelt ging voorop in de aanval op het communisme in Nederland. Hij zou woedend een ruitje hebben ingegooid in het hoofdkwartier van de CPN aan de Keizersgracht. Een aantal schrijvers drong aan op een automatisch royement van CPN-leden van PEN, zoals Theun de Vries, die CPN-bestuurder was.

Dat ging het PEN-bestuur, onder wie voorzitter Victor van Vriesland en vice-voorzitter Donkersloot, te ver. De uitkomst was dat een minderheid van zo’n twintig leden, onder wie Carmiggelt, Max Dendermonde, Hans Gomperts, Adriaan Morriën en Max Nord, het PEN-lidmaatschap opzegden.

Omwille van de analogie zouden we Salman Rushdie de rol van de woedende Carmiggelt kunnen toebedelen in de actuele PEN-affaire. „Six pussies”, zes zeikerds dus, noemde hij de schrijvers die bezwaren hebben tegen de toekenning van de jaarlijkse Freedom of Expression Courage Award aan Charlie Hebdo. Rushdie: „Als PEN als een organisatie voor vrijheid van meningsuiting geen mensen mag verdedigen en prijzen die vermoord zijn voor het maken van tekeningen, dan is de organisatie haar naam niet waardig. Wat ik tegen Peter (Carey) en Michael (Ondaatje) en de anderen wil zeggen: ik hoop dat niemand het ooit op jullie gemunt zal hebben.”

Moeten we Theun de Vries nu ook maar met Carey, Ondaatje en die vier anderen (Francine Prose, Teju Cole, Rachel Kushner en Taiye Selasi) vergelijken? Dat lijkt me te veel eer voor De Vries. Carey cum suis toont geen begrip voor de moord op de redactieleden van Charlie Hebdo, wat De Vries wél deed ten opzichte van de Sovjet-inval in Hongarije en (eerder) massamoordenaar Stalin. Volgens Carey is PEN blind voor de culturele arrogantie van de Franse natie, die weigert op te komen voor een grote, machteloze minderheid van haar bevolking: de moslims. Kennelijk vindt Carey de satire van Charlie Hebdo kenmerkend voor die culturele arrogantie.

Daar kun je het wel of niet mee eens zijn, het is geen immoreel standpunt. Wel zou ik Carey graag de vraag stellen: waarom zou er uit culturele arrogantie geen steekhoudende satire kunnen ontstaan? En waarom zou die satire en de daarbijbehorende moed vervolgens niet beloond mogen worden?

Maar ook aan de verdediging van de prijs door voorzitter Andrew Solomon van PEN American kleven bezwaren. „Wij geloven dat het niet de bedoeling van Charlie Hebdo was om moslims uit te stoten of te beledigen”, zei hij. Hoe kan hij dat weten? Niet alle redactieleden zullen dezelfde bedoeling hebben gehad.

Bovendien mógen satirici beledigende bedoelingen hebben; het wordt alleen bedenkelijk als ze die louter tegen één bepaalde minderheid hebben, maar dat is bij Charlie Hebdo niet het geval.