In Hollywood was geen plaats voor Billie Holiday

Of aan Billie Holiday een groot actrice verloren is gegaan, zullen we nooit weten. Je zou haast denken van wel, gezien haar grote tragische inlevingsvermogen als zangeres. Maar in Amerika rond het midden van de twintigste eeuw was het voor een zwarte kunstenaar wél mogelijk om een grote carrière te maken in de muziek, maar moeilijk, zo niet onmogelijk, in film. Een zanger-acteur als Paul Robeson – het onderwerp van een toekomstige biopic van regisseur Steve McQueen – moest de handdoek uiteindelijk in de ring moest gooien. Hij wilde niet in Hollywood op de deur blijven beuken: de enige rollen waarvoor hij in aanmerking kwam waren stereotiep en racistisch.

Het is niet uit gebrek aan belangstelling van Holiday dat er zo weinig beeld van haar is. Holiday was filmfan: ze werd geboren als Eleanora Fagan op 7 april 1915 – precies honderd jaar geleden. Ze nam de naam Billie aan uit bewondering voor actrice Billie Dove, een ster van de zwijgende cinema in de jaren twintig: „Ik denk dat ik geen enkele film die Billie Dove heeft gemaakt heb gemist. Ik was helemaal weg van haar. Ik probeerde mijn haar zo te doen zoals zij, en uiteindelijk heb ik haar naam geleend.” Holiday was de achternaam van haar vader: jazzgitarist Clarence Holiday, die nooit met haar moeder was getrouwd.

Als piepjonge zangeres stond ze in 1935 wel voor de camera in een korte film van componist en bandleider Duke Ellington: Symphony in Black: A Rhapsody of Negro Life. Holiday speelt een vrouw die haar man is kwijtgeraakt aan een ander – op straat duwt hij haar bruut opzij – en zingt de blues. Met zijn muziekfilm wilde Ellington een impressie geven van het zwarte leven in de VS: van zware lichamelijke arbeid tot de kerk en het nachtleven in jazzclubs. Maar de film raakte in de vergetelheid. „Als je erachter wilde komen waar de film te zien was moest je een privédetective inhuren”, liet Holiday optekenen in haar beroemde autobiografie, Lady Sings the Blues.

Ze speelde in één Hollywoodfilm: in New Orleans uit 1947 is ze te zien als de huishoudelijke hulp van een jonge operazangeres die een passie ontwikkelt voor jazz, en als de geliefde van Louis Armstrong, haar muzikale idool. Billie Holiday als schoonmaakster, dat sloeg natuurlijk nergens op. Zelf verklaarde ze in Lady Sings the Blues vinnig: „Laat me een zwart meisje zien dat films heeft gemaakt en niet een hulp in de huishouding of een hoer speelde. Ik ken ze niet. Ik heb juist mijn hele leven gevochten om niet iemands verdomde huishoudster te hoeven zijn.”