Hitlers geboortehuis bezorgt Oostenrijkse overheid kopzorgen

Wat te doen met Hitlers geboortehuis? De eigenaar kapitaliseert op de angsten van de Oostenrijkse overheid.

De gemeente wil van Hitlers geboortehuis in Braunau am Inn een museum maken ter nagedachtenis van Hitlers slachtoffers. Foto AP /Kerstin Joensson

Ook zeventig jaar na zijn dood is nog geld te verdienen aan Adolf Hitler. Klein geld, als op de straatmarkten in Centraal-Europa, met potten en pannen waarop zijn beeltenis prijkt. En groot geld, zoals in november, toen een aquarel van Hitlers hand 130.000 euro opbracht op een veiling in Neurenberg, ooit het centrum van het nationaal-socialisme. En, o ja, vorige maand ging een gesigneerd exemplaar van Hitlers boek Mein Kampf voor 40.000 euro onder de hamer, in de VS.

Opmerkelijk is het allemaal niet. Dat is wel de wijze waarop de eigenaar van Hitlers geboortehuis de nagedachtenis van de massamoordenaar uitvent. De eigenaar, een oudere dame, weet waarom het Oostenrijkse ministerie van Binnenlandse Zaken het leegstaande pand in het grensstadje Braunau am Inn van haar huurt: het wil voorkomen dat het huis in andermans handen uitgroeit tot een bedevaartsoord voor neonazi’s. Die kennis geeft macht. Mevrouw Pommer vraagt (en krijgt) inmiddels bijna 5.000 euro per maand.

De angst van de overheid komt niet uit de lucht vallen: neonazi’s bezoeken de plek al regelmatig om bloemen te leggen of de Hitlergroet te brengen. Vooral de gemeente baalt daarvan en wil van het pand het liefst een museum maken ter nagedachtenis van Hitlers slachtoffers. Maar de eigenaar werkt niet mee. Die wil niet verkopen. Omdat ze het pand ook niet wil renoveren, is het onaantrekkelijk voor andere huurders, bedrijven en particulieren. Monumentenzorg helpt ook niet mee. Jarenlang zat een belangenvereniging voor gehandicapten in het huis, maar omdat de monumentenbeschermers verboden het pand drempelvrij te maken voor rolstoelgebruikers, is de organisatie verhuisd.

Het pand is een monument om architectonische redenen, niet vanwege de infame baby die er op 20 april 1889 ter aarde kwam. Het plan van een Russisch parlementslid – kopen en opblazen – is daarom niet realistisch. Tijdens de sessie van de Doema waarin de Rus dit voorstel deed, werd overigens niet nagelaten te memoreren dat het pand nog bestaat dankzij Amerikaanse militairen. Duitse soldaten hadden dagen na de capitulatie van het stadje in mei 1945 bedacht de tot dan populaire bedevaartsplek op te blazen. Amerikanen die daarvan hoorden, hebben dat voorkomen.

Een Oostenrijker kwam onlangs met een voorstel dat de facto op hetzelfde neerkomt. Peter Huemer, een historicus uit de buurt, hoopt dat de regering de eigenaar verplicht de ramen open te zetten, voor altijd, opdat het huis langzaam (maar zeker) vergaat. De regering mag ondertussen de huur blijven betalen.