Column

De wereld spreekt nu schande van ons

‘Het zijn monumenten voor macro-economisch mismanagement.’ Krasse uitspraken van Willem Buiter, de econoom van Citibank. Waar had hij het over? Vast over het corrupte, Griekse belastingstelsel. Niet? De antiquarische, Spaanse ontslagwetgeving dan? Ook niet? Dan over het archaïsche, Franse pensioenstelsel! Ook niet!? Nee, het ging over het aanhoudende, grote betalingsoverschot van Nederland en Duitsland, 350 miljard per jaar. Tien jaar geleden sprak iedereen schande van het Chinese overschot, volgens veel economen de hoofdoorzaak van de financiële crisis. Het Nederduitse overschot is inmiddels veel groter dan dat van China. Dus spreekt de wereld nu schande van ons en onze Oosterburen. Dat u het maar weet als u op vakantie gaat.

Hoe zit dit? Toen de eurocrisis in 2010 losbarstte, waren de loonkosten in Zuid-Europa het grootste probleem. Die waren 30 tot 40 procent te hoog om te kunnen concurreren, met Nederduitsland en met de rest van de wereld. Daardoor hadden de Zuidelijke landen een fors tekort op hun betalingsbalans. Niet zo fors als het overschot van Nederduitsland, maar toch.

De oorzaken van die hoge loonkosten in Zuid-Europa laat ik nu maar rusten, maar over de oplossing was iedereen het in grote lijnen eens: de loonkosten in Zuid-Europa moesten omlaag, zowel ten opzichte van Nederduitsland als de rest van de wereld. Eens, helaas alleen in grote lijnen, want bij de uitwerking gaf Nederduitsland niet thuis. Voor de loonkosten ten opzichte van de rest van de wereld was een eenvoudige oplossing geweest: een lagere koers van de euro, net zoals de koers van de euro laag was tussen 2000 en 2002, toen Duitsland hetzelfde probleem had als Zuid-Europa nu. Het repareren van de hoge lonen ten opzichte van Nederduitsland was echter moeilijker. Daarvoor is maar één oplossing: nullijn in het Zuiden, vier procent loonstijging in Nederduitsland. Dat eerste gebeurde, het tweede niet. Bundesbank en Nederlandsche Bank waarschuwden voor inflatie. Helaas, het werd deflatie. Onze overheid zette ambtenaren op de nullijn en dus kwam de loonstijging tot stilstand. Mijn pleidooi als directeur CPB voor een hogere loonstijging was aan dovemansoren gericht. Alleen Wim Boonstra van de Rabobank viel me bij.

Zuid-Europa zat met de gebakken peren, niet eenmaal, maar tweemaal. Door lage loonstijging in Nederduitsland bleef de koers van de euro te hoog, en bleef het Zuiden zowel ten opzichte van het Noorden als de rest van de wereld te lang te duur. In die situatie had Draghi maar één uitweg: kwantitatieve verruiming, een extreem ruim monetair beleid, net zoals in de VS en het VK met succes was toegepast. Na drie maanden blijkt dit succesvol, eerlijk gezegd boven mijn verwachting. De euro is sinds de start van de discussie in augustus vorig jaar met 20 procent gedaald. Dit heeft de economie van Italië en Spanje lucht gegeven. Klaas Knot heeft groot gelijk: kwantitatieve verruiming is een paardenmiddel, maar wel onvermijdelijk door de Nederduitse halsstarrigheid. Tegen die achtergrond is zijn verzet tegen kwantitatieve verruiming moeilijk te begrijpen. Het heeft het gezag van Nederland in Frankfurt geen goed gedaan. De daling van de euro leidt tot één probleem: de Nederduitse lonen waren al te laag, zie het enorme overschot op de betalingsbalans. Door de daling van de euro is dat probleem met nog eens 20 procent toegenomen. Klaas Knot pleit voor hogere lonen (en met hem Jens Weidman, de president van de Bundesbank). Dit ben ik hardgrondig met hen eens. Steun dus de acties van de politie. De lonen moeten in Nederduitsland dringend omhoog!