Chaos in uitvoering zet het voortbestaan pgb op het spel

Het persoonsgebonden budget, kortweg pgb, is een rijk instrument dat burgers die zorg nodig hebben in staat stelt zelf zorgverlener(s) te kiezen. Zij houden zelf de regie. Zij krijgen meer op maat gesneden zorg. En de zorg die zij krijgen zou de ‘reguliere’ gezondheidszorg ontlasten van in elk geval een deel van hun werk, was de bedoeling. Kortom: het was nog efficiënter ook.

De afgelopen jaren is de omvang van de pgb-zorg spectaculair gegroeid. Zo’n 200.000 mensen maken er gebruik van. Zij kopen voor ruim 2 miljard euro zorg, zonder dat het overigens heeft geleid tot een daling van de ‘reguliere’ zorg. Tevens is steeds duidelijker geworden hoe fraudegevoelig de pgb-zorg is. De pgb-bedragen werden contant uitgekeerd. De zorgverzekeraars die de rekeningen betaalden, hadden weinig of geen concrete prikkels om fraudes op te sporen. Zij hadden wel de kosten, maar niet de opbrengsten. Soms hadden familieleden die hun naasten verzorgden een wel erg groot materieel financieel belang bij het systeem. Het leek er lang op dat juist de hoge waardering die de mensen aan pgb-zorg gaven, de relevante autoriteiten een beetje blind maakte voor de keerzijde van de regelingen.

Met ingang van dit jaar is de pgb-zorg gegoten in nieuwe regels, met een meer regisserende en controlerende functie voor de gemeenten. De Sociale Verzekeringsbank, die al de uitbetaling van financiële ‘massaproducten’ als kinderbijslag en AOW uitvoert, is het nieuwe betaalkantoor. Op papier begrijpelijk, in de praktijk is het nu een chaos. Tienduizenden zorgverleners zijn te laat of niet betaald. Vandaag was daar, opnieuw, een Kamerdebat over. Een eerder debat eindigde met een motie van wantrouwen van een deel van de oppositie tegen staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, PvdA) die een meerderheid heeft afgewezen.

Van Rijn zal zijn beleid in twee opzichten moeten verdedigen. Om te beginnen het administratieve doolhof waarin hulpzoeker en hulpverlener terechtkomen. Tot overmaat van zorg is niet de fraude(-kans), maar de zelfredzaamheid van de patiënt het eerste slachtoffer. Nu worden de vergoedingen overgemaakt, maar kan het zomaar zijn dat ze straks (ten dele) worden teruggevorderd, omdat er fouten of fraude in het spel zijn. De vraag moet toch op tafel komen of de nadelen van het pgb (fraudekans, controles, uitvoering) de pluspunten inmiddels niet overtreffen.

Het tweede onderwerp dat Van Rijn parten speelt is de vraag of hij de Kamer adequaat heeft geïnformeerd over de klemmende waarschuwingen van deskundigen én van de SVB voor manco’s in de uitvoering. Uitvoeringsinstanties waarschuwen vanzelfsprekend, ook al is het maar om hun eigen nuttigheid te onderstrepen. Maar het is ook de taak van de staatssecretaris om het parlement daarover te informeren, opdat de Tweede Kamer zijn eigen oordeel kan vellen.