Column

Zelfbeheersing is nodig en echt niet alleen voor pedo’s

Seks is een gevaarlijke kracht. Het strafrecht moet er nogal eens aan te pas komen om haar in toom te houden. Dat is een lastige opdracht en het strafrecht kan ieders steun en medeleven daarbij goed gebruiken. Zeker als andere rechtsgebieden van seks moeten afblijven en het strafrecht de kastanjes uit het vuur moet halen.

Het is alweer een jaar geleden dat de Hoge Raad besloot vereniging Martijn te verbieden op grond van bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Dat leidde indertijd tot rumoer dat nog steeds niet is verstomd. Vorige maand verscheen een juridisch artikel over Martijn in een tijdschrift van een Gronings onderzoeksinstituut en ook elders kauwt men nog op de beslissing van de hoogste rechter.

Intussen publiceerde forensisch psychologe Inge Schilperoord een roman, Muidhond, over een pedoseksuele hoofdpersoon die dapper probeert uit de gevangenis te blijven. Het boek heb ik helaas nog niet gelezen, maar wel een uiterst bewonderende en nieuwsgierig makende recensie. Daarin viel het me op dat de recensent zijn best deed de driften van hoofdpersoon Jonathan ver bij zichzelf uit de buurt te houden. ‘Wat voor iemand met een geaccepteerde geaardheid fijne gedachten zijn (rokjesdag!)’, schreef hij, ‘dat is voor Jonathan de toetreding tot de eerste ring van de hel’. Zo leek het wel alsof seks voor de reguliere heteroseksuele man een en al vrolijke rokjesdag is en de donkere gevaren heel ergens anders huizen. Onder de steen van de pedoseksualiteit.

Nu lijkt me een pedoseksuele aanleg inderdaad een zwaar lot om te dragen. Maar tegelijk lijkt het verschil met iedere andere aanleg me toch niet zo zwart-wit als deze recensent en veel anderen beweren. De samenleving eist immers ook zelfbeheersing van anderen. De maatschappelijke mens kan zich niet vrijuit overgeven aan al zijn driften. Opvoeding stelt grenzen: lees de roman On Chesil Beach van Ian McEwan, waarin een jonge vrouw door de sociale druk van haar opvoeding zelfs niet in staat is haar huwelijk te consumeren. Strafrecht stelt grenzen: als alle mensen hun seksuele fantasieën zomaar zouden uitleven, zat half Nederland in de gevangenis.

Het is precies hierom dat iets me niet beviel in het rumoer van vorig jaar. Sommige commentatoren deden het voorkomen alsof het ontbinden van Vereniging Martijn voortkwam uit ongewenste zedenprekerij van de overheid. Maar overheid en samenleving zijn nu eenmaal zedenmeesters en dat kan ook niet anders. Zo is verkrachting strafbaar en ik mag hopen dat we daarover geen politieke discussie hoeven te voeren. Zo is seks met kinderen strafbaar en ik mag hopen dat de journalist die het doorbreken van dit taboe een ‘vooruitgang’ noemde zijn woorden niet serieus meende.

Als het verbod op Martijn problematisch is, dan niet vanwege zedenprekerij, inperking van de seksuele moraal, of verkettering van de pedofiel. Dat houdt het verbod namelijk allemaal niet in. Jawel, pedoseksuele handelingen zijn strafbaar, maar dat waren ze al en daarin is met het verbod op Martijn geen verandering gekomen. Het ontbinden van de vereniging is alleen maar problematisch omdat het een inbreuk is op het grondrecht tot verenigen.

Als de Hell’s Angels worden verboden, is dat niet pijnlijk omdat het motorrijden verbiedt, maar omdat het verenigen verbiedt. De zeden waarnaar de burgerlijke rechter verwijst bij zo’n beslissing worden elders bepaald, ze zijn geformuleerd in het strafrecht of in internationale verdragen: het verbod bepaalt de zeden en de normen niet, maar neemt ze tot uitgangspunt.

Het artikel in het online tijdschrift van het Groningse onderzoeksinstituut voor Veiligheid en Openbare Orde gaat precies over de verhouding van de burgerlijke rechter tot de strafrechtelijke normen. T. Minovic onderzocht in dat artikel – ‘Het verbieden van clubs en verenigingen: van Hell’s Angels tot Martijn’ – de criteria op grond waarvan de rechter tot verbod overgaat. Het is namelijk nogal wat, het doorkruisen van een grondrecht, en je er moet goede redenen voor hebben.

De conclusie luidde dat tot nu toe een verbod alleen mogelijk was bij ‘een structureel patroon van strafbare feiten’. Bij Martijn was zo’n patroon er niet en volgde toch een verbod: een duidelijke en dubieuze oprekking van de criteria. Niemand betwist dat kinderen schade oplopen van seks met volwassenen, schreef Minovic, maar het verbodsartikel is er niet om kinderen te beschermen, ‘dat doet het strafrecht’.

En zo waren we weer terug bij het strafrecht als zedenmeester. Verenigen moet kunnen, maar we hebben wel zeden en beperkingen nodig om kinderen én vrouwen én mannen te beschermen tegen het gevaar van seksuele driften. Want jammer genoeg is seks niet een en al Valentijnsdag, rokjesdag en andere Disneydagen.