Wodka Mary

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De griezelig dunne dame in de supermarkt ziet er paniekerig uit. Ze draagt een wollen jurk die bij de mouwen pilt en geborduurde pantoffels onder blote benen. Net als veel ouderen lijkt ze verdwaald in het labyrint van metershoge schappen vol etenswaren. Met vingers als breekbare takjes wijst ze naar het schap voor haar. Een energieke, blonde jongeman in een supermarktschort komt bij haar staan. Meteen grijpt ze hem stevig bij zijn jasje vast, alsof ze hem nooit meer los zal laten. Ze laat hem een folder zien die ze krampachtig vasthoudt. De man begrijpt niet wat ze wil. Als hij haar hand van zijn mouw haalt, roept ze om de manager.

Ik herken die stem en zie dan pas wie ze is: Wodka Mary, zoals ik haar altijd wat oneerbiedig noem.

Ik ontmoette haar een paar keer op een receptie. Tot in de puntjes verzorgd maakte ze haar entree. Dressed to the nines, zeggen ze hier. In chique kleren en met juwelen, die lang geleden in de mode waren. Haar echtgenoot, een zakenman, overleed een paar jaar terug. Twee keer verhuisde ze sindsdien. De eerste keer ging ze kleiner wonen, de tweede keer vertrok ze naar een goedkopere buurt. Ooit zag ik een oude foto van haar: een schoonheid, met hoge jukbeenderen en glanzend, hoog opgestoken haar. Ze droeg een lila avondjurk met sleep, hij een smoking.

Bij onze laatste ontmoeting schoof ze haar Hermes-sjaal opzij en toonde me een nauwelijks geheeld litteken in haar fragiele hals. „Ze hebben een tumor verwijderd”, fluisterde ze . „Zo groot als een ei. Nu word ik bestraald, voor de zekerheid.” Zorgvuldig herschikte ze de sjaal. „Genoeg daarover”, zei ze toen. „Het is feest.” Ze opende haar avondtasje en haalde er een flacon wodka uit. Terwijl ze haar hoofd achterover hield, liet ze de vloeistof, uiterst elegant, in haar keel glijden.

De manager, een vriendelijke vijftiger, geeft haar een arm en neemt haar mee. Voetje voor voetje, loopt, nee schrijdt ze naast hem. Haar dunne haar zit tegen haar schedel geplakt. De diamanten ring lijkt van haar vinger af te glijden. Hij laat haar achter bij de diepvriesproducten. Eindeloze pakken staan hoog opgetast achter glazen deuren. Ze tuurt ernaar, enigszins voorovergebogen, terwijl ze hardop in zichzelf prevelt. Ik zou haar aan moeten spreken, aanbieden om te helpen, maar ik weet niet of ze wel wil dat ik haar zo zie.

Dan recht ze haar rug. Ze opent de deur en haalt er een diepvriesmaaltijd uit. Even herken ik die ‘andere’ Mary. De triomf, de trots in haar blik. Kijk mij, ik heb dat toch maar mooi voor elkaar gekregen. Ook ik haal opgelucht adem en ga verder met mijn boodschappen.

Als ik afreken staat ze bij de kassa naast me. Uit haar handtasje haalt ze een coupon die ze bibberend aan het meisje geeft. Die bestudeert het bonnetje en scant vervolgens de maaltijd. Nauwgezet houdt Mary alles in de gaten. Het pak gaat in een bruine papieren zak waarmee ze de winkel uitloopt.

Wanneer ik wegrijd, zie ik haar een eindje verderop staan, leunend tegen de winkelmuur. De zak staat naast haar op de grond. Uit haar handtasje tovert ze een flacon wodka tevoorschijn. Terwijl ze haar hoofd achterover houdt, laat ze de vloeistof, uiterst elegant, in haar keel glijden.