Column

Vrouwen aan de top? Leve ’t paternalisme

Vrouwen aan de top. Ze popelen. Maar het schiet niet op. Dit zou de oogsttijd moeten zijn. Nu leggen beursgenoteerde ondernemingen wisselingen in hun raden van commissarissen voor aan hun beleggers. Wat gebeurt er? Vrouwen volgen andere vrouwen op die als commissaris vertrekken. Bodemonderzoeker Fugro benoemt in één keer twee vrouwen. Installatiebedrijf Imtech benoemt een extra vrouw.

Is het genoeg? Nee. Minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) en voorzitter De Boer van werkgeversorganisatie VNO-NCW lanceren een databank met bekwame vrouwen. Vervolgens zei de Tweede Kamer per motie: daar zitten we niet op te wachten. Ook zou er concurrentievervalsing zijn.

Bussemaker reageerde met een ronkende brief. „Nederland wordt binnen Europa links en rechts ingehaald.” En:„De top van ons Nederlandse bedrijfsleven heeft hiermee een groot probleem.” Let op het woordje ons: de minister speelt de nationale kaart.

In 2009 ging de Tweede Kamer akkoord met een wetsvoorstel dat bepaalt dat de top van een bedrijf minimaal 30 procent mannen én minimaal 30 procent vrouwen moet hebben. Meer van beiden mag ook. Tot 2016 is het vrijwillig. Daarna dreigen quota. Wat deden de bedrijven? Ze wachtten af. Was dit serieus? Enkele benoemingen volgen. De eerste onderzoeken zeggen: ’t schiet niet op. Politici en vrouwenorganisaties roeren zich. Dan blijkt dat zittende commissarissen niet zomaar weggaan, dus zijn er niet zoveel vacatures. Meer onderzoek. Blijft tegenvallen. De minister waarschuwt voor de laatste maal. Een wanhoopsoffensief. Eureka. Een databank!

Die databank moet „buiten de kleine kring van bekende namen van topvrouwen nieuw talent zichtbaar (...) maken”. Het bedrijfsleven wacht op de tweede feministische golf. Na de voorhoede is het nu tijd voor de grote doorbraak. Hoe? Met ouderwets paternalisme. Je kunt als kansrijke vrouw worden aangemeld door een zittende commissaris. Dan val je in een van drie categorieën en is Engels opeens de voertaal. Je bent meteen geschikt (board ready) én je krijgt een aanbeveling van een commissaris (endorsement). Als tweede: je bent ambitieus, maar moet bijleren (cursus, ervaring opdoen). Als derde: ongeschikt. Daar rept Bussemaker niet over.

Wervingsbureaus die beloven dat de helft van de groslijst van nieuwe voordrachten vrouwennamen bevat krijgen toegang tot die databank. Dat is wel een heel slappe norm. Willen ‘we’ meer vrouwen, leg de lat dan hoog. Op 100 procent.

De databank is gegund aan het Nationaal Register, dat zelf ook aan werving en selectie doet. In Het Financieele Dagblad klaagden twee andere bureaus over concurrentievervalsing. In haar brief zegt Bussemaker: iedereen kan meedoen, er is niks mis. Maar uit haar brief blijkt dat de opdracht voor de databank is verleend na een „offerte proces”. Mooi begrip. Geen aanbesteding dus, waarop iedereen kan inschrijven, maar eerder een uitnodiging aan een of meer partijen. Verder blijkt er een klankbordgroep in het leven te zijn geroepen die alles wat relevant is voor de databank bespreekt. Leve de papierwinkel. En opdat er geen marktverstoring optreedt, wordt dat „ook zorgvuldig gemonitord”. Helaas staat er niet bij door wie.

Zo werkt de ‘vrije markt’ voor vrouwelijk toptalent. Met een databank namens de minister, coöptatie van kandidaten, een slappe norm, een klankbordgroep en een monitor. Het klinkt vooral als een banenplan. Wie gaat controleren voor hoeveel vrouwen dat iets oplevert?