Staal past beter in debatcentrum dan in museum

De Westerse kunstenaar moet zich weer durven verbinden, verklaarde kunstenaar/activist Jonas Staal in 2012 in deze krant. In de twintigste eeuw heeft de kunst zich losgevochten van kerk en staat. Op zichzelf is dat een grote verdienste, aldus Staal, maar er ging ook iets verloren; de kunstenaar werd een solistisch producent van kunstobjecten, die werkt binnen een keurig afgebakende zone van galeries, musea en veilinghuizen waar zijn werk als handelswaar gepresenteerd en verkocht wordt. De markt bepaalt de koers, in plaats van idealen.

Staal (1981) is een man van grote ideeën en oprechte politieke betrokkenheid. In 2005 werd hij door het OM vervolgd (en later vrijgesproken) vanwege zijn als bedreigend beschouwde ‘bermmonumenten’ voor Geert Wilders. Voor de Biënnale van Venetië van 2013 stelde Staal een ideologische gids samen met van alle deelnemende landen een kort politiek-economisch profiel.

Een jaar eerder lanceerde hij zijn huidige, veelomvattende project: New World Academy, een educatief platform waarin kunstenaars en studenten in discussie gaan met vertegenwoordigers van ‘stateloze organisaties’ als de National Democratic Movement of the Philippines en vluchtelingencollectief Wij Zijn Hier.

De sessies van de New World Academy mondden tot nu toe uit in onder meer een toneelstuk over de ervaringen van vluchtelingen en een ‘denktank’ over privacybescherming op internet aan de kunstacademie in Den Haag. Op zichzelf zijn dit interessante projecten, en Staals basisgedachte dat de kunstwereld meer over haar eigen grenzen heen zou mogen kijken is belangwekkend genoeg. Maar hoe dit alles in een tentoonstelling te vatten? De eerste poging, een samenwerking tussen BAK basis voor actuele kunst en het Centraal Museum, is helaas een mislukking. Onbedoeld wordt de indruk bevestigd van de kunstwereld als een gesloten bolwerk, met een voor buitenstaanders ondoorgrondelijk jargon.

In de eerste ruimte hangen zeven werken uit de vaste collectie van het museum, van maatschappelijk betrokken kunstenaars als Jan Toorop en Constant. Zaaltjes twee tot en met vijf zijn gevuld met wat je een samenvatting van de conferenties van de New World Academy kunt noemen, ware het niet dat je er als bezoeker nauwelijks vat op krijgt. Foto’s van protestbewegingen in de Filippijnen en Noord-Mali; klein gedrukte boekjes met tekstverslagen; televisies met maar één koptelefoon waarop amateuristisch gefilmde lezingen te zien zijn – het is te veel, je zou dagen moeten blijven om het allemaal te kunnen volgen.

Van de deelnemende kunstenaars staan citaten op de muur over de rol van kunst in de wereld, maar wie ze zijn en wat ze maken blijft onduidelijk. Waarom hen niet iets uitgebreider geïntroduceerd, met simpele handgrepen als een kort cv en desnoods een paar foto’s uit het oeuvre? En wat moeten we met een zaal vol zwarte panelen met alleen een witgedrukte code erop, die kennelijk verband houdt met internetveiligheid?

Wie zich in de New World Academy wil verdiepen, kan dat beter thuis achter de computer doen of de volgende bijeenkomst bezoeken, op 5 mei in debatcentrum De Balie. Het moge traditioneel klinken, maar daar past dit project vooralsnog veel beter thuis.